Archief voor maart, 2014

Beloofd land leesstof voor les 1

Het is de bedoeling de tekst in het zwart te lezen voor les 1. Een deel van de tekst in hoofdstuk 2 is blauw. Dit gedeelte is niet noodzakelijk voor de les. 

Hoofdstuk 1

WAAR GESCHIEDENIS EN PROFETIE SAMENVALLEN

Op een mooie aprilavond in 1946, stond ik op een landrug die de berg Scopus aan de noordkant verbindt met de Olijfberg aan de zuidkant. Voor me, in het westen, glommen de gouden Rotskoepel en de zilveren koepel van de El Aqsa moskee in het maanlicht. Daar omheen en erachter leek het alsof de Oude Stad van Jeruzalem met zijn muren, kantelen, torens en bontgeschakeerde daken, vredig lag te slapen, totdat, voor dag en dauw, de oproep voor het gebed van de muezzin zou klinken vanaf de moskee.

Toch wist ik dat die vredige indruk bedrieglijk was. Onder de oppervlakte smeulde al onrust die onvermijdelijk zou uitbarsten in geweld en bloedvergieten. Achter mij stonden de massieve stenen gebouwen en de vierkante toren van de Augusta Victoria kloosterherberg. Oorspronkelijk was deze herberg gebouwd voor pelgrims uit Europa, maar de Britse autoriteiten hadden het in de Tweede Wereldoorlog in gebruik genomen als militair hospitaal. Binnen deze muren had ik mijn dienstplicht vervuld als hospik en nu stond ik op het punt om af te zwaaien.

Ik stond op een kruispunt in mijn leven. Ik was pas getrouwd met Lydia Christensen, een voormalige lerares uit Denemarken, die ik in Jeruzalem had ontmoet. Lydia was ‘moeder’ in een klein kindertehuis in Ramalla, een Arabische stad, vijftien kilometer ten noorden van Jeruzalem. Doordat ik met haar getrouwd was, werd ik ‘vader’ van de acht meisjes die zij in huis had, in de leeftijd van vier tot achttien jaar. Zes van de acht meisjes waren Joods, één was Arabisch en de jongste was Engels. Omdat Lydia en ik van plan waren in Ramalla te gaan wonen, had ik besloten ontslag te nemen uit het leger in Jeruzalem.

Wat staat ons te wachten?

Terwijl ik daar op die heuvel de schoonheid van Jeruzalem stond in te drinken, vroeg ik mij af wat ons te wachten stond. Daarbij dacht ik niet alleen aan Lydia, de meisjes en mijzelf, maar ook aan de andere mensen in het land, met de unieke menging van rassen, culturen en religies die Jeruzalem toen rijk was.

De toekomst van de hele omgeving was onzeker. Verschillende politieke groepen en rassen stelden hun eisen aangaande territorium en onafhankelijkheid, maar die eisen waren onmogelijk met elkaar te combineren. De Britse regering had diverse voorstellen gedaan in een poging de impasse te doorbreken. Maar de groepen lieten zich niet met elkaar verzoenen en steevast werden de oplossingen die voor de ene groep acceptabel waren, direct door de andere afgewezen. Was er nog een hoek van waaruit een oplossing zou kunnen komen? Geleidelijk was ik overtuigd geraakt van wel.

Gedurende bijna zes jaar in het leger, had ik ijverig de bijbel bestudeerd. Drie vermoeiende jaren lang, in de eindeloze zandbakken van Noord Afrika, was de bijbel mijn trouwe, voortdurende metgezel geweest, mijn nimmer falende bron van troost en kracht. Op zeker moment kwam ik in het ziekenhuis terecht en lag daar een jaar vanwege een huidziekte waarvoor geen medicijnen aanwezig waren. Ik werd pas gezond nadat ik afzag van verdere medicatie en simpelweg de heldere bijbelse beloften over lichamelijke genezing vertrouwde.

Op deze en vele andere manieren had ik gezien dat alles wat de bijbel ons leert, vandaag nog even krachtig en waardevol is als in de tijd waarin het werd geschreven, als we er tenminste in geloof op reageren.

Maar in 1944, toen ik werd overgeplaatst naar Palestina, kregen de bijbelse waarheden een geheel nieuwe betekenis voor mij. Tot op dat moment had ik de bijbel gelezen alsof ze op zichzelf stond, in een eigen dimensie. Met mijn hele hart had ik de geestelijke waarheden die erin stonden aangenomen, maar zonder enige context naar tijd of plaats.

Nu begon ik de bijbel te zien in een zeker geografisch verband. Ik besefte dat de gebeurtenissen die erin opgetekend stonden hier hadden plaatsgevonden, in het Middellandse Zee gebied – aan de westkant begrensd door Italië en in het oosten door Perzië. De meeste dingen waren echter gebeurd in een nog veel kleiner gebied, dat ook wel het land Kanaän genoemd werd, of Israël, of Palestina, of het Heilige Land.

In de tijd van de aartsvaders, zo had ik geleerd, stond dit gebied bekend als Kanaän. Nadat het door de Israëlieten onder leiding van Mozes en Jozua veroverd was, werd dit het land Israël. Deze naam wordt ook nog in het Nieuwe Testament gebruikt (Matteüs 2:20), hoewel het toen een provincie was van het Romeinse Rijk.

De naam Palestina betekent ‘land van de Filistijnen’. De Grieken gebruikten die naam het eerst, daarna de Romeinen en andere heidense overheersers, inclusief de Britten. Christenen hebben de naam ‘Het Heilige Land’ ongeveer vanaf de vijfde eeuw gebruikt. Na de beëindiging van het Britse Mandaat in 1948 en het daaropvolgend Arabisch-Israëlisch conflict, werd het land opgesplitst en verdeeld tussen twee staten: Israël en Jordanië. (Na het  vredesakkoord van Oslo in 1993 is men het gebied successievelijk de Israëlische en Palestijnse gebieden gaan noemen).

Toen ik de bijbelse gebeurtenissen ging lezen in deze geografische context, gingen ze op een heel nieuwe manier voor me leven. Zacharia bijvoorbeeld heeft in zijn beeldende profetie over de wederkomst van de Heer op aarde, de plek waar ik stond als volgt beschreven:

Te dien dage zullen zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts. Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, en de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. (Zacharia 14:4,8) 

De gebeurtenissen die hij beschreef kon ik bijna voor mijn ogen zien gebeuren. Ons ziekenhuisgebouw – de Augusta Victoria kloosterherberg – stond precies op de plek waar de aardbeving zou gaan plaatsvinden. Twintig jaar eerder had een aardschok de vierkante toren al beschadigd, waardoor de toren niet meer veilig beklommen kon worden. De geschiedenis had dus bewezen dat dit gebied vatbaar was voor aardbevingen.

In westelijke richting, voorbij het Kidrondal, hadden geologen dingen ontdekt die duidden op de aanwezigheid van ondergrondse waterreservoirs naast de stad Jeruzalem. Geologisch gezien was het decorum aanwezig voor de gebeurtenissen die Zacharia voorspelde. De woorden van de profeet pasten zo exact in het panorama voor mij, dat ik bij wijze van spreken het water al kon zien stromen dat door de aardbeving omhoog zou komen van onder het tempelterrein en naar mij toe zou stromen via het west-oost dal dat zou ontstaan – tot ongeveer waar mijn voeten stonden. Ook herinnerde ik mij een soortgelijk tekstgedeelte uit Ezechiël, waarin eveneens water beschreven wordt dat naar het oosten vloeit van Jeruzalem naar de Dode Zee:

Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis; zie, er stroomde water van onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant. Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels. Hij mat weer duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend el en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen. Hij mat nog eens duizend el; nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden.

Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt het water van de zee gezond. Overal waar de beek komt zal alles leven.

Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel. (Ezechiel 47:1-5,8-9,12)

Met dit beeld nog in mijn gedachten, draaide ik mij om en liep een paar honderd meter naar de oostelijke helling van de berg. In de verte glinsterde de Dode Zee in het maanlicht als een edelsteen die gezet was in de kroon van de heuvels die haar omgaven. De bijzondere chemische samenstelling gaf het water een unieke glans. Op de voorgrond bogen de kale heuvelruggen van Judea naar beneden tot in de streek die door Ezechiël Arabah genoemd wordt. Zonder twijfel was het deze streek die de wonderbaarlijke transformatie nodig had die het levende water uit Ezechiels visioen zou bewerken!

Terwijl ik daar op de Olijfberg woonde, had ik geleerd dat Arabah de Hebreeuwse naam is voor het Jordaandal, omdat het zich uitstrekt van de monding van de Dode Zee tot de Golf van Akaba in het zuiden. Van de tempelberg aan de westkant tot de Dode Zee en Arabah in het oosten, wordt elk detail in zowel Zacharia’s als Ezechiëls beschrijvingen exact en beeldend beschreven. Ze pasten precies in deze hele omgeving. Maar het is zelfs nog sterker.

los van de geografische context hadden deze beschrijvingen geen enkele betekenis. Ik besefte dat hetzelfde opgaat voor talloze andere bijbelgedeelten, zowel profetische als historische.

De geschiedenis van een volk

Later die avond, ik lag al in bed, was ik in gedachten nog steeds bezig met alle indrukken van de voorafgaande twee jaren. Mijn kennismaking met het land van de bijbel liep parallel met mijn kennismaking met het volk wiens geschiedenis het centrale thema van de bijbel vormt. Ik was gaan inzien dat geografie en geschiedenis met elkaar verweven zijn. 

Geografisch gezien speelt de bijbel zich af in het land Israël; historisch gezien gaat het over het volk Israël. Het verbaasde me hoe ik in al mijn bijbellezen een zo simpel en logisch feit steeds over het hoofd had kunnen zien. Maar toen ik dit feit eenmaal begreep en een plaats gaf, kreeg ik een veel scherper inzicht in de totale samenhang van de bijbel.

De eerste elf hoofdstukken van de bijbel vormen een inleiding. Ze vormen de achtergrond en het podium waarop al het navolgende zich heeft afgespeeld. Vanaf dat punt is de bijbel in wezen de geschiedenis van Abraham en het volk dat uit hem is voortgekomen via Isaak en Jacob – dat wil zeggen Israël.

Er is, zo ontdekte ik, een verschil tussen de woorden Israël en Israëliet, en ook tussen Jood en Joods. Taalkundig gezien komt het woord Jood van Juda, de naam van één van de twaalf stammen van Israël. Vanaf de Babylonische ballingschap werden echter alle Israëlieten die naar het land Israël waren teruggekeerd, Joden genoemd, ongeacht de oorspronkelijke stam waar zij toe hadden behoord. Dit gebruik werd in de tijd van het Nieuwe Testament gewoon voortgezet. Paulus was bijvoorbeeld van de stam van Benjamin; toch noemde hij zichzelf een Jood (Handelingen 21:39).

Tegenwoordig kunnen deze vier woorden echter niet helemaal meer door elkaar heen gebruikt worden. Israël en Israëliet hebben primair met de nationaliteit te maken, Jood en Joods meer met de religie, de cultuur en de recente geschiedenis. Sinds de geboorte van de staat Israël in 1948, is het woord Israëli toegevoegd. Hiermee wordt elke burger van de staat Israël bedoeld, of hij nu Jood, Arabier, of Druze is. De geschiedenis van Israël zoals die beschreven staat in de bijbel, is heel uniek, omdat ze enerzijds, zoals iedere geschiedschrijving, een verslag is van gebeurtenissen, maar anderzijds is ze geschreven, nog vòòr de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Dit laatste heet profetie. Alles bij elkaar genomen, vormen de historische en profetische gedeelten van de bijbel een complete geschiedenis van het volk Israël.

Hoewel flinke gedeelten van deze geschiedenis alleen in grote lijnen beschreven staan, zijn andere gedeelten weer heel gedetailleerd en accuraat opgetekend. De profetische geschriften zijn uiterst intrigerend. In veel gevallen zijn ze namelijk eeuwen voordat de gebeurtenissen werkelijk plaatsvonden opgeschreven, maar combineren toch een mate van nauwkeurigheid en levendige beschrijving die een ooggetuige niet zou kunnen hebben overtreffen.

De evaluatie van de bijbel als geschiedenisboek van Israël’s verleden en toekomst, verbaasde mij niet echt, zolang ik me bij het Oude Testament hield. Maar het Nieuwe Testament las ik  onbewust vanuit het perspectief van een eeuwenlange christelijke traditie. Dat maakte het  moeilijk de feiten objectief te evalueren.

Het leek logisch om met de identiteit van Jezus zelf te beginnen. Zonder twijfel is Hij de allerbelangrijkste figuur van het Nieuwe Testament. Als Hij er niet was geweest, dan zou het Nieuwe Testament nooit geschreven zijn. Het staat ook buiten kijf dat Jezus in zijn aardse leven volgens iedere norm een Israëliet is geweest.

In het Nieuwe Testament wordt echter ook duidelijk dat de identiteit van Jezus als Israëliet niet ophield na zijn aardse leven. In Openbaring 5:5 – een gedeelte dat meer dan vijftig jaar na zijn dood en opstanding geschreven is – wordt Jezus nog beschreven als de Leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids.

Deze titel gaat niet (alleen) over zijn tijdelijke status voor de duur van zijn drieëndertig jaar op aarde. Dit is zijn identiteit na zijn dood en opstanding tot in de eeuwigheid. Hij is voor altijd ‘de Leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids’. Hij is voor eeuwig familie van David, uit de stam Juda, het volk Israël. Hij is voor altijd een Israëliet.

Vervolgens richtte ik mijn aandacht op het karakter en de inhoud van de vier evangeliën. Die vormen de historische basis voor al de fundamentele leerstellingen van het christelijk geloof (zoals die beschreven staan in de belangrijkste geloofsbelijdenissen van de kerk). Zij zijn dus de historische geschriften van het Nieuwe Testament.

Opnieuw spraken de feiten voor zich. Behalve een kort bezoek van Jozef en Maria met het kind Jezus aan Egypte, vonden alle gebeurtenissen die beschreven staan in alle evangeliën plaats binnen de grenzen van het land Israël.

Verder is meer dan 90 % van de mensen die in de evangeliën beschreven staan, Israëliet. De enige uitzonderingen zijn een handjevol mensen, zoals bijvoorbeeld de wijzen uit het oosten, de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob en de Romeinse gezagsdragers en soldaten. In feite zijn de evangeliën een verslag van de Israëlieten in het land Israël.

Vervolgens bestudeerde ik de schrijvers van het Nieuwe Testament. Opnieuw verscheen een zelfde plaatje. Alle zevenentwintig boeken zijn geschreven door Israëlische schrijvers. Bij Lucas zou je een vraagteken kunnen zetten. Hij heeft het Lucas-evangelie en ook het boek Handelingen geschreven. Algemeen wordt aangenomen dat hij van heidense afkomst was. Maar omdat hij zich bekeerd had tot het Judaïsme, behoorde hij ook tot Israël.

Het is natuurlijk ook waar dat de evangelieboodschap zich na de Pinksterdag snel verspreidde door de hele beschaafde wereld. Massa’s heidenen namen Jezus aan als hun redder en werden aan de kerk toegevoegd.

Toen ik me echter begon af te vragen wie de mensen in het Nieuwe Testament waren, door wie het evangelie voornamelijk verspreid werd en door wie kerken gesticht werden, moest ik toegeven dat het bijna zonder enige uitzondering Joden zijn geweest. Alle twaalf de apostelen waren Joden. Paulus, die de grote apostel van de heidenen is geworden, was ook Joods. De meeste van zijn medewerkers, zoals Barnabas en Silas, waren Joods. Zelfs Timoteüs werd wettelijk als Jood beschouwd, vanwege zijn Joodse moeder, en moest daarom besneden worden (Handelingen 16:1-3).

Ik probeerde een christen uit de heidenen te vinden die in het Nieuwe Testament een belangrijke rol heeft gespeeld. Eerst kon ik niemand bedenken, maar tenslotte bedacht ik dat Titus er misschien het meest voor in aanmerking zou komen. Hij was een betrouwbare medewerker van Paulus en er is ten minste een boek in het Nieuwe Testament naar hem genoemd. Niemand zal echter beweren dat Titus één van de centrale figuren in het Nieuwe Testament is.

Nu restte mij nog de profetische gedeelten van het Nieuwe Testament te bestuderen. Werden daarin andere dingen benadrukt dan in de historische gedeelten? Welk beeld werd daarin geschetst van de toekomst? Voorzover ik kon beoordelen, kwam de unieke rol van Israël opnieuw nadrukkelijk naar voren. De schrijver van de Hebreeën laat ons het hoofddoel van alle ware gelovigen zien: de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebreeën 11:10). In Openbaring 21 vinden we een beschrijving van deze stad. Op haar poorten staan de namen van de twaalf stammen van Israël geschreven. Op haar fundamenten staan de twaalf namen van de apostelen van Jezus. De inscriptie van iedere naam in het nieuwe Jeruzalem is de naam van een Israëliet.

Samenvattend mogen we het volgende stellen:

  • Alle 39 boeken van het Oude Testament zijn door Joden geschreven.
  • Jezus is geboren als Jood,  gestorven als Jood en zal terugkomen als Jood.
  • Alle gebeurtenissen in de evangeliën (behalve de vlucht naar Egypte) vonden plaats in Israël.
  • Meer dan 90% van de mensen over wie in de evangeliën geschreven wordt, is Israëliet.
  • De 27 boeken van het Nieuwe Testament zijn geschreven door een Jood (met uitzondering van Titus en misschien van Lucas, maar hij was een proseliet of ‘jodengenoot’: bekeerd tot het Judaïsme).
  • De meeste mensen door wie kerken gesticht zijn en het evangelie verspreid is, waren Joden.
  • Alle twaalf de apostelen waren Joden.
  • De toekomstige stad uit Openbaring bevat inscripties van de namen van de twaalf stammen van Israël.
  • De fundamenten van die stad dragen de namen van de twaalf apostelen van Jezus.

We kunnen er gevoeglijk van uitgaan dat niemand met antisemitische vooroordelen zich in die stad ooit zou kunnen thuis voelen! Toen ik de resultaten van mijn onderzoek in het Oude en het Nieuwe Testament naast elkaar legde, kwam ik tot een heldere en eenvoudige conclusie: De bijbel gaat over Israël en is geschreven door Israëlieten, gedeeltelijk in de vorm van geschiedkundige verslagen en gedeeltelijk in de vorm van profetie.

Ballingschap – en terugkeer

Waarom leek het dan zo vreemd, bijna ondenkbaar zelfs, om het Nieuwe Testament met het Joodse volk in verband te brengen? Nadenkend over deze vraag, zag ik dat er tegen het einde van de eerste eeuw een belangrijke onderbreking had plaatsgevonden in de voortgang van de geschiedschrijving. Sterker nog, er was over het Joodse volk bijna een totale stilte gevallen in de versies van de geschiedenis die ik in Engeland had bestudeerd.

Voor deze stilte zijn twee oorzaken. In de eerste plaats waren de Israëlieten uit hun land verdreven en in de tweede plaats, ongeveer in dezelfde tijd, waren zij afgesneden van hun leidinggevende rol in de verspreiding van het evangelie en de bouw van de kerk.

Deze dubbele onderbreking heeft hun rol in de geschiedenis van de daaropvolgende achttien eeuwen bepaald. Ze waren een volk van ballingen geworden. Fysiek werden ze verdreven uit het enige land waar zij ooit een natie waren geweest. Geestelijk werden ze geweerd uit een religie waarvan zij zelf de grondleggers waren geweest.

De laatste twee jaar (in 1946) was ik getuige geweest van een stuk van het genezingsproces van die eerste breuk, namelijk die tussen het volk Israël en zijn land. Zou de logica der geschiedenis aangeven dat dit tevens het voorspel was voor de genezing van de tweede breuk – namelijk die tussen het volk Israël en de christelijke kerk?

Ik wist dat veel mensen deze gedachte zouden wegwuiven als onmogelijk. En toch, een eeuw eerder zou diezelfde gedachte – dat het volk Israël terug zou komen in haar land – net zo onvoorstelbaar zijn geweest, voor net zoveel mensen. Ik woonde in een land, temidden van mensen wier hele geschiedenis wemelde van gebeurtenissen die door de meeste mensen voor absoluut onmogelijk zouden zijn gehouden.

Ik zocht een manier om de geweldige betekenis van de gebeurtenissen die ik had zien plaatsvinden, te kunnen uitdrukken, en moest denken aan een oude, staande kastklok. Ik stelde me voor hoe die jarenlang in de hoek van een antiekwinkel had gestaan. De wijzers hadden lang niet bewogen, de gewichten hingen stil, decennia lang had hij geen geluid gemaakt. Iedereen ging ervan uit dat het mechanisme kapot was. Maar op een dag begon de klok te tikken en kwamen de wijzers in beweging, terwijl geen mens de klok had aangeraakt. Plotseling was de klok niet langer slechts een interessante antiquiteit, maar liet hij weer zien hoe laat het was. Dat was het! Israël was Gods profetische klok. Door het volk weer terug te brengen naar het land, had Gods hand de klok opnieuw in beweging gezet. Na lange eeuwen van stilte werd de tijd weer zichtbaar. Als ik goed naar de wijzers keek, zag ik dat ze de laatste uren wegtikten van een periode in de geschiedenis die ongeveer negentien eeuwen geduurd had.

Overlevenden van de holocaust

Mijn kennismaking met het volk Israël viel samen met een van de meest tragische perioden uit de lange en vaak tragische geschiedenis van dit volk. De onuitsprekelijke verschrikking van de holocaust begon juist in zijn volle betekenis door te dringen tot de Joodse gemeenschap over de hele wereld, en wel het diepst tot de bewoners van het land Israël.

Ondanks een blokkade die door het Britse leger en de marine was gelegd, bereikte een kleine groep Joodse overlevenden uit Europa het land Palestina langs verschillende wegen. Bijna tegen mijn wil luisterde ik naar de lijdensverhalen en wreedheden die ik werkelijk niet voor mogelijk had gehouden. Af en toe was ik getuige van de hereniging van familieleden die in Europa uit elkaar waren gerukt, maar die op de een of andere manier hadden weten te overleven en ontsnappen en elkaar nu in Israël weer zagen.

Door mijn bewustwording van Israëls geografische betekenis had mijn bijbelstudie al een wending genomen. Maar de directe confrontaties – uit de eerste hand – met dit aspect van Israëls recente geschiedenis bracht een nog veel grotere revolutie in mij teweeg. In bijna het hele Oude Testament ontdekte ik talloze gedeelten waar profeten voorspellen dat Joden op grote schaal vanuit de hele wereld naar Israël teruggebracht zullen worden, nog voordat de tegenwoordige eeuw ten einde is. Deze voorspellingen waren trouwens niet beperkt tot het Oude Testament. In het onderwijs van Jezus in het Nieuwe Testament kwam ik soortgelijke gedeelten tegen, waar gezegd wordt dat de slotscène van het tegenwoordige tijdperk zich zal afspelen in het land Israël. Tot op dat moment had ik zulke schriftgedeelten vaag en onbegrijpelijk gevonden, bijna utopische vooruitzichten die hoop moesten geven op betere tijden. Maar nu begon ik in te zien dat het nauwgezette, specifieke voorspellingen waren die bezig waren voor mijn ogen in vervulling te gaan. In veel van deze voorspellingen komen sprekende details voor, alsof de schrijver er zelf ooggetuige van was geweest. Veel van dit soort voorbeelden staan in het boek Jeremia en één ervan springt bijzonder in het oog.

Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des Heren, want Ik ben Heer over u; Ik zal u nemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion… In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb. (Jeremia 3:14,18)

Dit gedeelte benadrukt de terugkeer van Israëlieten uit een ‘Noorderland’, naar het land dat God hun voorvaders had gegeven. Het staat buiten kijf dat met dit laatste het land Israël bedoeld wordt. Een ‘Noorderland’ zou Rusland kunnen zijn, maar ook Polen, Duitsland en andere landen in Oost Europa en de Balkan. In 1946 was dat precies het gebied waar de meeste Joodse vluchtelingen vandaan kwamen, die hun toevlucht zochten in Israël. Een opvallend detail in de tekst is:  één uit een stad en twee uit een geslacht. Dit kwam precies overeen met wat ik in die tijd hoorde van veel Joodse mensen om me heen. Veel overlevenden vertelden verhalen in deze trant: ,,Ik ben de enige van onze familie uit Berlijn die het overleefd heeft. Maar ik heb zojuist een ander familielid ontmoet die het ook heeft overleefd – mijn oom uit Hannover.” In elk verhaal zal de naam van de stad anders zijn, en het land kan dan Polen zijn of Oostenrijk, in plaats van Duitsland. En het kan gaan om een schoonzus, een neef, een tante of een achteroom. Maar net als in de profetie van Jeremia bleef de essentie steeds hetzelfde: één uit een stad en twee uit een geslacht. Ik weet zeker dat de meeste van deze Joden geen flauw idee hadden dat ze in feite één van hun eigen profeten citeerden, die 2.500 jaar daarvoor de gebeurtenissen die zij beleefden, had beschreven.

God waakt over zijn Woord

Ik begon de geschiedenis in een nieuw licht te zien – niet als de toevallige samenstroom van onvoorspelbare krachten, of dat nu politieke, militaire of economische zijn, maar als de volvoering van Goddelijke plannen, die tevoren bekend zijn gemaakt door het profetische Woord van God. Dit principe is nooit duidelijker geïllustreerd dan in Jeremia’s eigen roeping tot profeet, zoals hij die zelf beschreef:

Het woord des Heren nu kwam tot mij: Eer ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld. Doch ik zeide: Ach, Here HERE, zie ik kan niet spreken, want ik ben jong. De Here echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan en alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden, luidt het woord des Heren. Toen strekte de Here zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en de Here zeide tot mij: zie, Ik leg mijn woorden in uw mond; merk op, Ik stel u heden onder de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten.(Jeremia 1:4-10)

In dit gedeelte komen we een opmerkelijke paradox tegen. Aan de ene kant wordt aan Jeremia  geweldige autoriteit beloofd: over volken en koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten. Maar aan de andere kant beschouwde Jeremia zichzelf jong, of als een kind. Verder werd in zijn verdere loopbaan oppervlakkig bekeken ook maar weinig zichtbaar van de enorme autoriteit die God hem had beloofd. Door de meeste van zijn eigen mensen werd hij steevast afgewezen; vaak werd hij niet begrepen en verkeerd behandeld; hij werd in een put gegooid en daar een tijdlang gelaten, tot hij bijna gestorven was.

Waarin lag dan Jeremia’s autoriteit?  Hoe bracht hij die tot uitdrukking? Ik ontdekte dat het antwoord ligt in de manier waarop God Jeremia riep in zijn profetische dienst: Toen strekte de Here zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en de Here zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond.

De autoriteit van Jeremia had met zijn persoonlijkheid niets te maken; ze lag in de woorden die God in zijn mond legde. Door deze woorden werd, zodra hij ze uitsprak, de bestemming van alle natie’s en koninkrijken waarover hij profeteerde, afgekondigd. Heersers en volken wezen de persoon Jeremia af, maar ze konden de profetische woorden die hij over hen uitsprak niet ongedaan maken. Nadat Jeremia gestorven was, leefden de woorden die hij gesproken had voort en werd de bestemming van deze volken naar zijn woorden voltrokken.

Hoewel volgende generaties Jeremia’s woorden vergaten of negeerden, deed God dat niet. Hij had Jeremia immers verzekerd dat Hij over zijn woord waakt om dat te doen (Jer.1:12). De woorden die God door Jeremia heen sprak gingen voornamelijk over zijn eigen volk Israël; maar ze reikten ook verder. Jeremia voorspelde als ‘profeet van de volken’ de bestemming van veel landen buiten Israël, inclusief alle volken die het gebied bewonen dat we tegenwoordig kennen als het Midden Oosten. Verder verzekerde God Jeremia niet alleen dat Hij zou toezien op de vervulling van zijn woorden, maar Hij voorzag ook in de bewaring van Jeremia’s woorden, tot de tijd zou komen van hun uiteindelijke vervulling:

Zo zegt de Here, de God van Israel: Schrijf alle woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek. Want zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik in het lot van mijn volk Israël en Juda een keer breng, zegt de Here, en hen terugbreng in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb, zodat zij het zullen bezitten. (Jeremia 30:2-3)

God keek duidelijk eeuwen vooruit naar de tijd dat Hij Israël weer zou terugbrengen naar het land dat Hij voor hen had bestemd. Hij voorzag dat zijn volk tegen die tijd meer zou begrijpen van alle voorspellingen die Jeremia had uitgesproken. Met een gevoel van ontzag, verwondering en blijdschap besefte ik dat ik het voorrecht had gehad ooggetuige te zijn geweest van de gebeurtenissen die Jeremia voorspeld had. Dit was dus het antwoord op de vraag die ik mijzelf eerder die avond had gesteld: Wat staat ons te wachten? Het Woord van God dat vele eeuwen geleden door zijn profeten was uitgesproken, bepaalde nog steeds de bestemming en de voortdurende loop der gebeurtenissen, niet alleen voor Israël, maar ook voor de volken rondom. Zijn Woord was de enige betrouwbare sleutel om de ontwikkelingen in het Midden Oosten goed te interpreteren.

Maar voordat ik die avond uiteindelijk in slaap viel, kwam ik erachter dat ik niet klaar was om deze sleutel te gebruiken en het heden en de toekomst goed te duiden. Eerst moest ik het verleden beter begrijpen. Daarmee zou ik beter in staat zijn de nieuwe factoren te begrijpen die hun invloed hadden uitgeoefend op de wereldgeschiedenis en die hadden geleid tot de radicale veranderingen die momenteel plaatsvonden in het Midden Oosten.

 

Hoofdstuk 2

De droom die uitkwam

Mijn ervaringen in Palestina hadden mij een nieuwe kijk gegeven op de negentien eeuwen die waren verstreken. Ik besefte dat ik oog in oog was komen te staan met een rode lijn in de wereldgeschiedenis, die mij tot op dat moment nooit was opgevallen. Mijn eigen studieterrein was de klassieke wereld geweest: de geschiedenis van de Griekse en Romeinse beschaving, vanaf de tijd van Homerus tot de ondergang van het Romeinse Rijk. Ik heb me ook moeten verdiepen in Europese geschiedenis, maar dan met name die van Brittannië, mijn eigen land. Mijn kennis van de Joodse geschiedenis reikte zo’n beetje tot het einde van het Nieuwe Testament. Vanuit dit perspectief was de oorlog tussen de Joden en Rome, die eindigde met de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70, een tamelijk onbelangrijk incident in de Romeinse geschiedenis. Vanaf dat moment leek het of de Joden geen noemenswaardige geschiedenis meer hadden gemaakt.

Nu begon ik echter te begrijpen dat de Joodse geschiedenis een soort rivier was die door een aardbeving uit zijn loop was gebracht. Het grootste gedeelte van het water vloeide naar beneden, een ravijn in, dat door de aardbeving ontstaan was. Daar stroomde hij verder. Omdat hij grotendeels ondergronds verder stroomde, dachten veel mensen dat de rivier helemaal niet meer stroomde. Zelfs degenen die wel wisten dat de rivier nog stroomde, wisten niet precies in welke richting hij ging. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de rivier van de Joodse geschiedenis echter weer zichtbaar in het open landschap van de wereldgeschiedenis. Dit had een krachtige uitwerking op de cultuur, de wetenschap en de politiek.

De meest opvallende vorm (en uiteindelijk ook de meest betekenisvolle) waarin de Joodse geschiedenis zich manifesteerde was de opkomst van het Zionisme: het geloof in de wederoprichting van een onafhankelijke Joodse staat op hun historische bodem. Hoewel de zichtbaar geworden rivier in eerste instantie weinig betekenis leek te hebben, werd hij geleidelijk aan steeds breder. Haar invloed werd nu merkbaar in het hele Midden Oosten.

Hoe had een vernietigde natie al die eeuwen kunnen ‘overleven’? Welke gebeurtenissen hadden ertoe geleid dat het Zionisme kon ontstaan en dat het zo op de voorgrond van het wereldgebeuren kon treden?

Al sinds de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, heeft het Joodse volk steeds de droom van terugkeer naar ‘Sion’ gekoesterd. Voor de meesten was het niet meer dan een droom. Verstrooid als ze waren over heel de beschaafde wereld, verkocht als slaven, berooid, vervolgd – hebben ze steeds vastgehouden aan hun identiteit als volk, aan hun wetboek (de Thora), aan de geschriften van de rabbijnen, het houden van de sabbat, en hun tradities. Jaar in jaar uit citeerden ze trouw tijdens het Pascha de zin: ,,Volgend jaar in Jeruzalem!” Slechts weinigen geloofden het echter ook werkelijk.

Slachtoffers van theologie

Al die lange eeuwen van hun verstrooiing (‘diaspora’), hebben de Joden het meest te lijden gehad van christenen. Christelijk antisemitisme is gebaseerd op en gevoed door een combinatie van theologie en populaire volksverhalen. Een lange rij christelijke theologen leerde dat de Joden verantwoordelijk waren voor de dood van Christus en dat ze daarom schuldig waren aan de ergste misdaad, ‘dei-cide’, het vermoorden van God. Omdat ze daardoor onder de voortdurende en onherroepelijke vloek van God waren gekomen, verdienden ze volgens deze leer voortdurend vervolging, verbanning en afwijzing.

Hardnekkige legendes beschuldigden de Joden steeds weer – zelfs tot in de twintigste eeuw –  van rituele moord op christelijke kinderen, om hun bloed te kunnen gebruiken voor hun geheime ceremonies rond het Pascha. Zulke beschuldigingen hadden meestal twee dingen tot gevolg: massamoord op complete Joodse gemeenschappen; en heiligverklaring door de kerk van kinderen die vermoord zouden zijn.

De christelijke theoloog Lovsky maakte een opsomming van alle manieren waarop christelijk antisemitisme ooit tot uitdrukking is gekomen: minachting, laster, vijandigheid, rassenscheiding, gedwongen doop, het ontnemen (en toe-eigenen) van kinderen, onrechtvaardige processen, pogroms, verbanning, systematische vervolging, beroving, plundering, haat (openlijk of verhuld), en sociale vernedering (Flannery blz. 60).

Zelfs in de beste Westerse literatuur werden de Joden steevast voorgesteld als hebzuchtige, verraderlijke, gierige woekeraars. In de Koopman van Venetië van Shakespeare is Shylock zo’n stereotiepe figuur. Het is belangrijk te weten dat de Joden bijna drie eeuwen lang, in de tijd vóór Shakespeare, uit Engeland verbannen zijn geweest. Zijn personage Shylock kwam helemaal voort uit zijn eigen verbeelding, die beïnvloed was door de volkslegenden. Het valt buiten de reikwijdte van dit boek om christelijk antisemitisme tot in detail te analyseren. Hiervoor kan ik het boek The Anguish of the Jews van Edward H. Flannery, van harte aanbevelen. Het biedt een evenwichtige, wetenschappelijke benadering van dit onderwerp. De schrijver is eerlijk en onpartijdig in de manier waarop hij de schuld van het christendom aan het licht brengt, hoewel zijn eigen achtergrond daarmee zeker niet buiten schot blijft. Hij is zelf namelijk een katholieke priester, toegewijd aan het christendom en de kerk.

Dromen – en dromers

In deze sfeer van minachting en vervolging hebben de Joden eeuwenlang als vreemdelingen en buitenstaanders geleefd; een vertrapt volk zonder land. Slechts één lichtstraal scheen in hun duisternis: Sion. Maar dit woord riep meer herinneringen op uit het verleden dan dat het hoop bood voor de toekomst. Van tijd tot tijd stond er echter een leider op die een straaltje hoop aanwakkerde dat ze ooit weer een volk op eigen bodem zouden worden.

David Reubeni was zo’n leider. Hij was een charismatische Jood uit het oosten die omstreeks 1525 opdook in West Europa. Moedig en doortastend probeerde hij een leger op de been te krijgen om Palestina te heroveren voor zijn volk. Hij beweerde dat zijn broer de leider was van een Joods koninkrijk in de buurt van Arabië en kwam op die manier binnen bij de paus.

Hij herinnerde de paus eraan dat veel kerkvaders uit het verleden hadden geloofd dat Jeruzalem nog vóór het duizendjarig rijk weer herbouwd zou zijn. Verbazend genoeg wilde de paus hem ontvangen, hoorde hem aan en stond zelfs achter zijn plannen. Hij zond Reubeni met aanbevelingsbrieven naar de koning van Portugal.

De Joden schaarden zich achter David Reubeni, omdat hij sinds vele eeuwen de eerste Joodse leider van voldoende aanzien was om ten behoeve van hen een paus en koningen te kunnen aanspreken. Toen Reubeni tenslotte echter bij Karel V aankwam, die keizer was van het Heilige Roomse Rijk, werd hij eerst met verachting afgewezen, daarna gearresteerd, en waarschijnlijk geëxecuteerd.

Met deze mislukking vervloog de Joodse hoop en zakten de Joden terug in hun gelatenheid. Aan het einde van de vijftiende eeuw leek de Inquisitie in Spanje en Portugal hun lot te bezegelen. Joden werden gedwongen zich te bekeren of te sterven. In veel gevallen, als de kerk niet overtuigd was van de echtheid van hun bekering, stierven ze alsnog.

Na elke nieuwe golf van onderdrukking lukte het een paar Joden naar Palestina terug te keren. Sommigen bouwden er met moeite een sober bestaan op. Anderen waren afhankelijk van aalmoezen die ze kregen toegestuurd van hun rijkere broeders in Europa en Azië. Na de kruistochten – enkele honderden jaren eerder, in de elfde en twaalfde eeuw – was het land desolaat en verwilderd achtergebleven. De paar overgebleven inwoners waren zwak en ontgoocheld. De glorietijd van Jeruzalem was allang vergeten.

Tegen het einde van de vijftiende eeuw woonden er volgens een pelgrim slechts 4000 gezinnen in Jeruzalem. Hiervan waren slechts 70 gezinnen Joods, en ze ‘hoorden tot de armsten, die zelfs gebrek hadden aan de meest alledaagse benodigdheden’ (Grayzel, blz. 464). Een dergelijk bericht stemde de Joden in Europa niet direct hoopvol in de richting van een hersteld thuisland. Grayzel schrijft verder: ,,De staat waarin Palestina verkeerde kwam overeen met de miserabele staat van het Joodse volk. Beide waren verlaten; beide waren in vijandige handen; beide wachtten ze op Gods verlossing.” (blz. 465)

Later, in de zestiende eeuw, beleefden de Joden opnieuw een kort moment van hoop. Josef Nasi, een welgestelde Portugese Jood die naar Turkije was gevlucht, kwam hoog in de gunst te staan van de Sultan. Deze machtige heerser maakte Nasi tot Hertog van Naxos, een eiland in de Egeïsche Zee, en gaf hem volledige zeggenschap over de omgeving van Tiberias in Palestina. Nasi maakte plannen om zijn grote vermogen en invloed aan te wenden om een groot aantal Joodse mensen naar het gebied te brengen en zijderupsen aan te schaffen om zo te voorzien in werk en levensonderhoud voor de kolonie. Echter, voordat hij zijn plan kon uitvoeren brak er oorlog uit tussen Venetië en Turkije. In alle opschudding verloor Nasi zijn begunstigde positie en daarmee zijn macht. Opnieuw werd Joodse hoop de bodem ingeslagen.                         

Hulp uit onverwachte hoek

Op dit kritieke moment, toen het Joodse vertrouwen en de veerkracht een dieptepunt hadden bereikt, kwam er hulp en hoop van onverwachte zijde – christenen uit Engeland. De christelijke kerk was daar tot dan toe net zo schuldig geweest in haar houding en gedrag naar de Joden als de rest van de kerk. In 1290 had Engeland alle Joden gedeporteerd en was er in heel Engeland geen enkele Joodse gemeenschap meer geweest. Maar toen rond 1500 de bijbel in het Engels werd vertaald, groeide een nieuw vertrouwen in de autoriteit van de Schrift en de betekenis ervan voor het leven van Gods volk. Dit resulteerde in een geestelijke opleving – zowel onder christelijke theologen als leken, waardoor men ook nieuw begrip kreeg van Gods bedoelingen met het Joodse volk en hun eigen historische bodem.

De eerste keer dat de theorie van een verzameld, teruggevoerd volk Israël werd gelanceerd, kostte de auteur zijn leven. Francis Kett werd in 1589 als ketter verbrand. Hij was een ‘Fellow’ (wetenschappelijk medewerker) van het Corpus Christi College op mijn eigen universiteit, Cambridge. Maar met hem stierf niet de gedachte. De Puriteinen en andere kerkelijke figuren uit de tijd van Koningin Elisabeth, begonnen te spreken en te schrijven over ‘de roeping van de Joden’. Degenen die deze nieuwe uitleg van bijbelse profetie omarmden, geloofden bijna zonder uitzondering dat de Joden zich massaal zouden bekeren tot het christendom voordat zij naar hun land zouden terugkeren.

In The Restoration of the Jews, een boek van Sir Henry Finch dat in 1621 werd uitgegeven, schilderde hij een perfecte theocratie in het herstelde land Israël. Zijn voorspelling: ,,alle heidenen zullen hun glorie aan uw rijk toevoegen”, stuitte direct op heftige tegenstand in kerk en politiek. King James I beschouwde het boek als een persoonlijke belediging en arresteerde de oude Sir Henry en zijn uitgevers. Ze werden slechts enkele weken vastgehouden, maar het maakte anderen voorzichtiger in wat ze schreven en zeiden. Toch had de gedachte postgevat, ondanks tegenstand en vervolging, en kreeg steeds meer bijval onder Puriteinen en andere groepen. In Engeland bloeide de christelijke droom van een herstelde Joodse staat tussen 1640 en 1666. Men geloofde wat David Reubeni al eerder had verkondigd, dat deze staat de inleiding zou vormen tot het Messiaanse tijdperk en het duizendjarig rijk. Een stortvloed van gedachten kwam op gang. Boeken werden geschreven, bewegingen ontstonden. Dit alles onder leiding van mannen van aanzien. Oliver Cromwell, Samuel Pepys, Henry Oldenburg, Baruch Spinoza en anderen – allen omhelsden de leerstelling van de ‘Restoration’. Het woord zelf – dat in die tijd het gangbare woord was voor ‘Herstel’ – kreeg als het met een hoofdletter geschreven werd nog maar één betekenis: de Restoratie van Israël. Het Joodse volk stond weer op de agenda, de intellectuele aandacht was gericht op de Joden. Sommigen geloofden dat de Indianen van de Nieuwe Wereld de tien verloren stammen waren. Weer anderen geloofden dat ze zelf tot de tien verloren stammen behoorden – bijvoorbeeld Thomas Tany, een Londense goudsmid die de Restoratie wilde verwerkelijken. Degenen die deze leerstelling van een ‘Brits Israël’ geloofden, werden later de ‘onzichtbare Hebreeën’ genoemd.

Hoewel echter de Britse steun groeide, ontstond in Oost Europa een nieuwe jodenvervolging, ditmaal in gang gezet door de kozakken. Het is niet verwonderlijk dat alle ogen in Engeland gericht waren op Sabbatai Zevi, toen deze zoon van een Joodse handelaar in Smyrna, zichzelf uitriep tot Messias van de Joden. Zevi verkondigde dat hij zijn volk in het jaar 1666 terug zou voeren naar hun eigen bodem. Verzonnen berichten dat scheepsladingen met Joden op weg waren naar Palestina, veroorzaakten evenveel opwinding onder niet-Joden in Londen als onder de grote Joodse gemeenschappen in andere steden van Europa. De profeten van het duizendjarig rijk voorspelden dat 1666 hét jaar zou zijn.

Sabbatai Zevi kwam inderdaad in 1666 in Constantinopel aan. Maar in plaats van de Sultan te ontzetten, werd hij diens gevangene en bekeerde hij zich tot de Islam. Deze keer werd niet alleen de hoop van de Joden de bodem in geslagen. De christenen die in de Restoratie hadden geloofd waren bijna even wanhopig.  

Geschriften over dit onderwerp

Twee belangrijke geschriften uit deze periode verdwenen uit het gezichtsveld en doken niet eerder op dan eind negentiende eeuw, tijdens de eerstvolgende grote golf van Zionisme. Deze beide boeken waren geschreven door christenen die de bijbelse profetieën hadden bestudeerd, en die met ogen van geloof een nieuw, hersteld volk van Israël zagen. Het eerste boek Nova Solyma (de ideale stad; Jeruzalem heroverd) was een utopische roman, die eerst anoniem in het Latijn werd gepubliceerd in 1648 en pas in 1902 weer boven water kwam, in hetzelfde jaar dat Theodor Herzl zijn roman Altneuland (Oudnieuwland) over hetzelfde thema publiceerde.

Nova Solyma was het werk van Samuel Gott, die beïnvloed was door John Milton. Dit boek valt op, in tegenstelling tot andere utopische werken, doordat het zich niet ‘nergens’ of ‘ergens’ afspeelt, maar juist in het land Israël. Het succes van de maatschappij die erin beschreven wordt, hing samen met een godsdienst die een synthese was van judaïsme en christendom. Uit wat één van de hoofdfiguren in dit boek beweert, blijkt profetisch inzicht:

Het past elke ware republiek om in het bijzonder te zorgen voor al wat jong is, en bij onze inspanningen op dit vlak, hebben we zeker de voorzienigheid van God ervaren. Het is immers algemeen bekend dat hier een mooiere en talentvollere generatie is opgegroeid sinds onze restoratie.  (Kobler blz. 24) 

Deze beschrijving zou zonder meer kunnen worden toegepast op het huidige Israël.

In het andere boek The Way of Light, voorzag Johann Amos Comenius (Komensky) een Messiaans tijdperk nádat de Joden zouden zijn teruggekeerd naar hun land. Comenius, een Tsjechische pionier die in Engeland woonde, had zijn boek in 1642 geschreven, maar het werd pas in 1667 gepubliceerd, en dan nog uitsluitend in het Latijn. Toen het boek eindelijk in het Engels vertaald was en in 1938 gedrukt werd, bleek Comenius zijn tijd drie eeuwen vooruit te zijn geweest.

Uitwisseling tussen christendom en jodendom

De belangrijkste Joodse leider in de zeventiende eeuw was Manasse ben Israël, de rabbijn van Amsterdam. Zijn boek The hope of Israël bracht een verbinding tot stand tussen het Messianisme (leer van het uitzien naar de Messias) van de Britse Puriteinen en het Joodse Messianisme. Hij geloofde ook dat de tien verloren stammen bij de Restoratie van Israël inbegrepen moesten zijn. Hij nam snel de gedachte van de Puriteinen over dat de Indianen in de Nieuwe Wereld wel eens deze verloren stammen konden zijn.

Zowel zijn studie van het boek Daniël als de profetie in Deuteronomium 28:64: De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere, overtuigde hem dat Engeland opnieuw Joden moest toelaten binnen haar grenzen. Hij werkte samen met Britse christelijke Restorationisten om dit te gaan verwezenlijken. Hij leefde echter niet lang genoeg om het te zien gebeuren in de vijftiger jaren van de zeventiende eeuw. Maar in ieder geval bemoedigde zijn werk de Britse christenen die op zoek waren naar Joodse leiders die hun visie zouden kunnen verwezenlijken.

Het feit dat veel invloedrijke Joden uit de zeventiende en achttiende eeuw niet geloofden dat ze naar hun land zouden terugkeren, maar dat veel invloedrijke christenen dat wel geloofden, is paradoxaal te noemen. Joseph Priestley, een wereldberoemd bioloog, filosoof en theoloog, suggereerde in 1787 dat als de Joden Jezus als de Messias zouden aannemen, er een eind aan  hun lijden zou komen en ze naar het Heilige Land zouden terugkeren. Hierop barstte een heftige woordenstrijd los. David Levi, de eerste Jood die de Pentateuch (de eerste vijf boeken van de bijbel) in het Engels vertaalde, reageerde afwijzend op Priestley’s stelling, en vooral op het idee dat de Messias al gekomen was. Uit zijn publicaties blijkt dat de meest toegewijde Joden uit zijn tijd de komst van de Messias niet verwachtten, noch een terugkeer naar hun land.

De meest frappante paradox was nog wel dat veel vooraanstaande Britse denkers, schrijvers en dichters sterk in de Restoratie-beweging geloofden, terwijl politieke leiders er praktisch onbekend mee bleven. Dit bleef zo tot de negentiende eeuw. (zie Kobler blz. 42)

In 1799 bijvoorbeeld, vielen Napoleon Bonapartes strijdmachten Palestina binnen. Leiders van de Britse Restoratie-beweging deden toen een beroep op hem om de Joden een thuisland te geven. Zij geloofden dat de val van het Ottomaanse (Turkse) Rijk onvermijdelijk was; toch werkte de Britse regering onvermoeibaar om Turkije en haar gebied in stand te houden. Napoleons overwinning was echter een kort leven beschoren en toen hij zich na een maand terugtrok, vervloog de hoop van de Restorationisten.

Gods plan met de Joden en hun thuisland kreeg in deze tijd nieuwe betekenis. In 1800 kwam James Bicheno in zijn boek The Restoration of the Jews – Crisis for All Nations, tot de conclusie dat de Restoratie niet afhing van hun bekering tot het christendom. Twintig jaar later riep een anonieme Engelse schrijver voor het eerst christenen en Joden op om vreedzaam samen te werken voor de totstandkoming van een Joodse staat. De lijst namen van negentiende-eeuwse christenen die de gedachte van een herstelde Joodse staat omarmden, hebben iets weg van een aflevering van ‘Wie van de drie’: Charles Darwin, de graaf van Shaftesbury, Lord Palmerstone, Benjamin Disraeli, Robert Browning, George Eliot, John Adams, en anderen.

Een van de kleurrijkste figuren was Sir Laurence Oliphant – soldaat, diplomaat, schrijver, kenner van de Russische taal en cultuur, journalist, en lid van het Britse parlement. Rond 1878 kwam Oliphant in actie, zodra hij op de hoogte kwam van de toestand van Europese Joden. Met zijn karakteristieke ijver probeerde hij voor hen ‘het land van Gilead’, ten oosten van de rivier de Jordaan, te bemachtigen en zeker te stellen. Hij wist Lord Salisbury achter zich te krijgen, en ook Benjamin Disraeli (Lord Beaconsfield), die van geboorte Jood was, maar van godsdienst christelijk. (Disraeli wordt beschouwd als een van de grootste staatsmannen die de Joden ooit hebben voortgebracht. Hij bereikte de absolute top van de toenmalige westerse politiek: het minister-presidentschap van het Britse Imperium). Zelfs de Prins van Wales – de toekomstige Edward de Zevende – moedigde Oliphant aan. Die stak daarop het Kanaal over naar Parijs, om zich van de steun van de Franse minister van buitenlandse zaken te verzekeren.

Gewapend met documenten van de Engelse en de Franse regering, zette Oliphant vervolgens koers naar Constantinopel om de Sultan te bezoeken. In 1880, op het meest gunstige moment voor het welslagen van zijn plan, verloor Disraeli zijn machtspositie en nam daardoor de Britse buitenlandse politiek een wending. De Sultan zou niet langer beschermd worden. Opnieuw liep de hoop van de Britse Restorationisten en de Europese Joden op niets uit.

Inmiddels creëerden Joodse intellectuelen in Rusland hun eigen vorm van Zionisme: Hovevei Zion (‘Liefhebbers van Sion’). Zij beseften dat assimilatie en integratie hen niet zou redden van de antisemitische pogroms (georganiseerde massavernietigingen), die op dat moment in heftige golven Europa overspoelden. De organisatie verspreidde zich snel, via de Joodse gemeenschappen, tot in de uithoeken van het Europese vasteland en in Engeland.

Laurence Oliphant bundelde zijn krachten met de Liefhebbers van Sion en zette zich zijn hele verdere leven voor hen in. Toen Russische Joden in kleine aantallen naar Palestina begonnen te trekken, verliet Oliphant met zijn vrouw het comfortabele Engeland en vestigde zich in Haifa om daar de pas gearriveerde Joden te kunnen bijstaan. Hij was getuige van de nieuwe agrarische nederzettingen die daar door de vluchtelingen werden opgericht, en stierf in 1888.

Theodor Herzl – en zijn vriend

De naam Theodor Herzl staat voor altijd in de geschiedenis gekerfd als de vader van het moderne Zionisme. Toen hij ten tonele kwam, raakten de gebeurtenissen in een stroomversnelling. Na het Eerste Wereld Zionisten Congres in Bazel, in Zwitserland in 1897, zei hij:

In Bazel heb ik de Joodse Staat gesticht! Als ik dit nu hardop zou zeggen, zou ik alom met hoongelach worden begroet. Maar iedereen zal dit, misschien binnen vijf jaar – en zeker binnen vijftig jaar – gaan zien.  (Duvernoy blz. 58)

Zeven jaar later overleed Theodor Herzl. Precies vijftig jaar daarna, op 29 november 1947, stemden de Verenigde Naties vóór het stichten van een Joodse staat in Palestina. Achter de schermen der historie was een onbekende maar opmerkelijke christen aan het werk, de kapelaan van de Britse ambassade in Wenen, William Hechler. Hij was een anglicaanse geestelijke en zoon van een professor in de Hebreeuwse taal, en raakte door zijn studie van de bijbelse profetie overtuigd dat het jaar 1897 cruciaal was voor het herstel van de Joodse staat. Toen hij in 1896, drie weken na publicatie, Herzl’s boek Der Judenstaat (de Joodse staat) las, stapte hij direct naar Herzl toe en stelde zichzelf tot diens beschikking, om zijn visie te helpen verwezenlijken.

Hechler had, hoewel hij geen innemend persoon was, indrukwekkende connecties. Aan het begin van zijn loopbaan was hij de leermeester geweest van de kinderen van Frederik, groothertog van Baden, die weer de oom was van keizer Wilhelm. Hij had de groothertog en andere leden van de Duitse koninklijke familie ervan weten te overtuigen dat de Joodse staat hersteld zou worden, waarbij hij gebruik had gemaakt van zijn bijbelse kaarten en schetsen. En nu bood hij Herzl een aantal open deuren aan.

Herzl was geen godsdienstig mens. Hij wist weinig van de profeten, maar was daarentegen een man van de praktijk. Hij besefte dat hij de aanbeveling en steun nodig had van wereldlijke heersers, wilde hij het respect en de steun krijgen van zijn Joodse broeders. Bovendien was Hechler een Engelsman, en Herzl wist dat hij aan de Britse christelijke Restorationisten waarschijnlijk de sterkste bondgenoten zou hebben die er te vinden waren voor zijn ideaal. Daarom aanvaardde hij Hechlers aanbod. Binnen een maand na die eerste ontmoeting had Hechler voor Herzl een audiëntie van twee uur voor elkaar gekregen bij groothertog Frederik, en had hij zelf direct bij keizer Wilhelm voorspraak gedaan voor Herzl. Frederik stond achter Herzl’s plan en wendde zijn invloed aan om ontmoetingen te arrangeren met de keizer, die uiteindelijk plaatsvonden in Constantinopel en Jeruzalem, in oktober 1898.

Door de audiëntie bij Frederik van Baden echter werd de naam Herzl bekend aan de koninklijke hoven van Europa, en eveneens door de aanhoudende gebeden en inspanningen van Hechler, die vele deuren voor Herzl openden. Herzls eerste Joodse aanhangers waren arm en hadden weinig invloed, maar doordat hij nu ontvangen werd door ministers en zelfs enkele gekroonde hoofden, rees zijn ster en groeide hij in aanzien. De Joden vatten weer moed. Het was tenminste één van hun die het voor hen opnam en die hun rechten op onafhankelijkheid en op hun historische eigen bodem verdedigde!

Met William Hechler en de Britse Restorationisten aan de ene kant, en Theodor Herzl en het Wereld Zionisten Congres aan de andere, begonnen de twee Zionistische stromingen samen te vloeien. In het jaar 1900 kwam het Wereld Zionisten Congres bijeen in Londen en ontstond de leus ‘Palestina voor de Joden’.

In 1902 bracht een nieuwe serie pogroms in Rusland een golf van paniek teweeg binnen de ontluikende Zionistenbeweging. Op de Zionisten Congressen van 1902 en 1903 werd besloten dat men bereid was elk stuk land te verwelkomen waar dan ook, om mensenlevens te redden van de genadeloze slachtingen. De Britten boden land aan in de Sinaï in 1902. Toen dat plan mislukte, dacht men op het Congres van 1903 aan Oeganda als vluchtplaats voor de Joden.

Het Britse ministerie van buitenlandse zaken erkende de Zionistenbeweging officieel als een diplomatieke instelling door in 1903 in een brief Oeganda aan te bieden als toevluchtsoord voor Joden. Herzl en vele anderen waren bereid dit Oost-Afrikaanse land te accepteren, waar hen zelfbestuur en autonomie werd toegezegd. Het Congres kon echter niet tot overeenstemming komen. Hechler, geen officiële deelnemer, was een van degenen die naar voren bracht dat Oeganda misschien een aantal levens kon redden, maar dat de terugkeer naar hun eigen bodem dan voorgoed uitgesloten zou zijn. In augustus 1904 was Herzl inmiddels overleden. Het Congres kwam weer bijeen, en men liet het Oeganda-plan varen.

Palestina – de smeltkroes

Intussen bleef er een stroom van Joden komen naar Palestina, als trekvogels naar hun bestemming. De terugkeer naar Sion was een droom die in vervulling ging. Ze kwamen uit Rusland en Oost Europa, uit Irak en Marokko, Turkije en Jemen, zonder nog aansporing van christenen nodig te hebben. Tussen 1904 en 1915 kwamen er 40.000 immigranten aan, waarmee de Joodse populatie in Palestina zich bijna verdubbelde. Ondanks dat, maakte hun aantal toch slechts twaalf procent van de totale bevolking uit. In deze periode begon de kibboets-beweging van collectieve nederzettingen; de agrarische citrus-industrie kwam op; nieuwe steden werden gesticht (in 1909 Tel Aviv bijvoorbeeld); sociale programma’s gingen van start en de Joodse industrie vond een aanvang.

Sinds het moment dat de Britse houding ten opzichte van het Ottomaanse Rijk veranderd was in 1880, was Duitsland de Sultan gaan beschermen. Door de nederlaag van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog veranderde echter die hele situatie. Toen Britse strijdkrachten in 1917 onder leiding van generaal Allenby Jeruzalem uit handen van de Turken wisten te bevrijden, eindigde de Ottomaanse overheersing en begon het Britse mandaat in Palestina. Generaal Allenby, een christen, stapte van zijn paard en ging te voet Jeruzalem binnen, omdat “niemand behalve de Messias deze stad te paard zou moeten betreden.”

Een maand later, op 2 november 1917, gaf Lord Balfour de Britse minister van buitenlandse zaken, een verklaring af: ,,De regering van zijne majesteit staat gunstig tegenover de stichting van een nationaal thuis voor de Joden in Palestina …” Met deze Balfour Declaratie was er nog geen Joodse staat gesticht, maar de weg was gebaand. Lord Balfour was een christen die geloofde in de Restoratie van Israël. Zijn Declaratie verheugde zowel de christelijke Restorationisten als de Joodse zionisten. De vreugde was echter van korte duur, want er vonden niet direct veranderingen plaats. Tot 1920 werd Palestina geregeerd door het Britse leger, dat de Balfour Declaratie naast zich neerlegde. Toen de Britse regering tenslotte haar eerste Hoge Commissaris aanstelde, koos men daarvoor Herbert Samuel, een Jood, die zijn best deed om de omstandigheden voor de nieuwe kolonisten te verbeteren. Hij introduceerde ook het Hebreeuws als derde voertaal in het land.

Bijna vanaf het prilste begin waren er problemen tussen Joden en Arabieren. Verschillende factoren deden de spanningen oplopen. De politiek en de methoden van de Britse regering verschilden duidelijk van die van de Turken, die bijna 400 jaar over het gebied hadden geheerst. Er was een grote toevloed van Joodse immigranten met vele verschillende achtergronden, culturen en talen. Het totale karakter van het land veranderde radicaal. De Arabieren, die hierover zeer ontstemd waren, begonnen anti-joodse rellen te organiseren.

In 1919 hadden de Zionisten een vriendschappelijke overeenstemming bereikt met emir Faisal, de leider van de Arabische beweging. Ze geloofden dat zij vreedzaam naast elkaar zouden kunnen wonen. Toen Faisals broer Abdulla in 1921 echter Oost Palestina binnenviel met een groep guerrillastrijders, veranderde dat.

Winston Churchill, de Britse minister van de koloniën, erkende Abdulla als emir. Met één pennenstreek verdeelde hij Palestina, door een nieuw mandaatgebied, Transjordanië, te creëren. Hij hoopte de Arabieren te kunnen sussen door hen viervijfde deel van het totale grondgebied te geven. In 1922 brachten de Britten de Palestijnse kwestie naar voren in de Volkenbond. Deze nieuw voorgestelde grenzen werden toen bevestigd.

Het is opmerkelijk dat de toenmalige president van de Verenigde Staten Woodrow Wilson, een christen die de bijbel heeft bestudeerd, het volgende protest uitte over deze willekeurige verdeling:

De zaak van de Zionisten houdt verband met de veiligheid binnen bijbelse grenzen en beoogt de economische ontwikkeling van het land. Dit betekent dat Palestina in het noorden zou moeten reiken tot de rivier de Litani en de bron van de rivieren van de berg Hermon; in het oosten zouden de vlakten van Jaulon en Haran erbij moeten horen. Anders zou het land verminkt zijn. Ik wil u eraan herinneren dat noch Parijs, noch Washington bezwaar hebben gemaakt tegen het plan van de Zionisten, noch tegen het trekken van de onherroepelijk Bijbelse grenzen… (Duvernoy blz. 115)

Winston Churchill heeft met zijn concessies geen eind kunnen maken aan de tegenstand van de Arabieren, die bleef voortbestaan in de vorm van voortdurende rellen en daden van terrorisme. Soms wist het Britse leger deze Arabische rellen de kop in te drukken; op andere momenten werden ze in de kiem gesmoord door de Joodse zelfverdedigingsorganisatie de Hagana. In 1929 protesteerden Arabieren tegen het feit dat Joden bij de Klaagmuur gingen bidden, door zeventig weerloze Joden in Hebron op de sabbat te vermoorden. Vanaf dat moment begon de Hagana groepen vrijwilligers te trainen om kleine, geïsoleerde nederzettingen te verdedigen. Later bewapenden de Britten ‘vredesgroepen’ van gematigde Arabieren die het land moesten helpen beschermen tegen rondzwervende Arabische terroristenbendes.

Moeite, conflicten, vooruitgang

Ondanks al deze moeilijkheden, bleef de Joodse ontwikkeling bloeien. Onmiddellijk na de Balfour Declaratie immigreerden grote aantallen jonge Joodse Zionisten uit Oost Europa.

Midden twintiger jaren van de vorige eeuw arriveerden er handwerkslieden en middenstanders, die meewerkten aan het ontstaan van steden en dorpen, en aan het bouwen van fabrieken, winkels, hotels en restaurants. Bouwbedrijven en wegenbouw werden grote industrieën. Het Joods Nationaal Fonds kocht grote lappen grond voor nederzettingen, met geld dat bijeengebracht was door Zionistenorganisaties in andere landen. De Algemene Federatie voor Joodse Arbeid, de Histadrut, werd opgericht in 1922. Binnen de Histadrut stond een leiderschap op dat voorbestemd was om in 1948 de eerste regering van Israël te worden.

Vanaf het moment van de verdeling in 1922, was het voor Joden verboden te immigreren naar Oost Palestina, Transjordanië. Arabieren mochten echter zonder enige restrictie immigreren naar het Joodse thuisland. Arabieren kwamen vrij binnen om voordeel te trekken van de hogere lonen en de betere levensstandaard die waren voortgekomen uit de Joodse ontwikkeling. In feite was het zo dat de Joodse populatie tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog groeide met 375.000 mensen en de niet-joodse bevolking met 380.000 mensen. Interessant genoeg groeide het aantal Arabieren het sterkst in gebieden met een intensieve Joodse ontwikkeling (216 procent groei in Haifa) en was de groei van het aantal Arabieren waar weinig Joodse toestroom was nihil. Toen Hitlers macht in Duitsland begon te groeien in 1933, emigreerden er heel wat Joden. Tegen 1936 waren er meer dan 164.000 nieuwe immigranten in Palestina aangekomen. Sommigen van hen brachten groot kapitaal met zich mee, wat ze konden investeren. Arabische landeigenaren profiteerden van de situatie en verkochten in die tijd drassige, rotsachtige of uit zand bestaande grond tegen exhorbitante prijzen. Tussen 1933 en 1935 betaalden de Joden meer dan 20 miljoen dollar aan Arabische landeigenaren. Daarna legden ze de drassige gebieden droog, irrigeerden ze de woestijngebieden en plantten ze bomen en gewassen. Hoewel de meeste Joden eeuwenlang geen land bewerkt hadden, werden ze daar onwaarschijnlijk bedreven in. Teruggekeerd en wel bewerkten ze het braakliggende land en zagen overvloedige oogsten voortkomen uit voorheen desolate landstroken.

De spanningen tussen Joden en Arabieren liepen in de dertiger jaren verder op en veroorzaakten bovendien wrijving tussen de nieuwe Joodse immigranten en de Britse mandaatregering. Hoewel de publieke opinie in Engeland sterk pro-zionistisch was, probeerde de Britse regering in haar pogingen de problemen op te lossen, dit vaak te doen door te schipperen en de Arabieren tevreden te stellen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in 1939, meldde bijna de gehele Joodse bevolking in de leeftijd tussen de 18 en 50, 136.000 personen in totaal, zich onmiddellijk aan als vrijwilliger bij het Britse leger. De Britten kozen daar aanvankelijk slechts enkele honderden specialisten uit, maar tegen het einde van de oorlog dienden meer dan 26.000 Joden uit Palestina in de Joodse Brigade. Een gezamenlijke vijand versterkte de band tussen Joden en Britten, vooral omdat de meeste Arabieren in Palestina onverschillig of pro-nazi waren. De Arabische moefti van Jeruzalem in het bijzonder, was openlijk pro-nazi. Hij bezocht Duitsland in 1941 om Arabische hulp aan te bieden bij de ‘eindoplossing voor het Joodse probleem’.

De Joodse economie in Palestina werd gestimuleerd door de enorme militaire krijgsmacht die gedurende bijna de hele Tweede Wereldoorlog in het Midden Oosten gestationeerd was. De landbouwproductie nam toe, vooral toen er nieuwe Joodse nederzettingen ontstonden in de meer vruchtbare gedeelten van het land. Industrie en technologie op het gebied van oorlogsmaterialen floreerde. Voor zowel Jood als Arabier was het een kalme tijd, vergelijkbaar met de rust in het oog van een wervelstorm. Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, begonnen de stormen weer op te laaien en dat is nooit meer veranderd. 

Lees verder

DPM NEDERLAND

Nijverheidsweg 12
7005 BJ Doetinchem
KvK#: 41121393

CONTACT

E-mail: info@derekprince.nl
Telefoon: +31 (0) 251 255 044
(elke werkdag van 9.00 uur tot 13.00 uur)

ONDERWIJS- EN NIEUWSBRIEVEN

Ontvang onze gratis onderwijs- en nieuwsbrieven
- per post
- per email