Shop Doneer

De Redder die ook Rechter is

Leestijd: 18 min.
De Redder Die ook Rechter is
Jezus Christus als Rechter

In de prediking, in gesprekken, in de manier waarop christenen het evangelie uitleggen: het is alsof het onderwerp stilzwijgend is weggeduwd. Toch kan ik, wanneer ik het Nieuwe Testament lees, onmogelijk dezelfde stilte vinden. Integendeel: ik vind dat er veel over wordt gezegd. En de Persoon die er het meest over spreekt, is Jezus Zelf. Als we het thema van oordeel weglaten, maken we ons beeld van God scheef. We krijgen een boodschap die vriendelijk klinkt, maar die niet meer volledig is.

Een evangelie zonder ernst verliest diepte.
Een evangelie zonder oordeel verliest noodzaak.
Want waarom stierf Jezus aan het kruis als Hij ons niet moest redden van iets werkelijk verschrikkelijks?
Waarom droeg Hij de vloek en de straf, als er geen reële toorn, geen reëel oordeel, geen reële hel is?

Ook over de hel hoor ik weinig. Dat verbaast mij niet, want het onderwerp is oncomfortabel. Maar ongemak is geen criterium voor waarheid. De hel is vandaag even werkelijk als honderd jaar geleden. En ik weet één ding zeker: als het niet was geweest voor Gods ontferming, dan zou ik nu al verloren zijn. Ik zou, door mijn eigen schuld, reeds opgesloten kunnen zijn in eeuwige kwelling. Dat is geen dramatische uitspraak. Dat is de nuchtere conclusie van iemand die begrijpt wat zonde is, en wie God is.

Daarom wil ik je niet meenemen in een theoretische discussie, maar je onder ogen laten zien hoe de Schrift Jezus openbaart. Er is een openbaring van Jezus die veel gelovigen graag vermijden, omdat zij haar niet kunnen rijmen met hun voorkeursbeeld. Maar wie Jezus liefheeft, zal Hem niet reduceren tot één aspect van Zijn heerlijkheid. Hij is Redder, ja. Maar Hij is óók Rechter.

De Openbaring is de openbaring van Jezus Christus

Ik wil beginnen met een gedeelte dat ik de laatste tijd vaak heb overdacht: Openbaring 1:12–18. We mogen nooit vergeten wat dit boek is. Het is geen openbaring van de antichrist; het is een openbaring van Jezus Christus. In dit boek vinden we meer titels van Jezus dan in enig ander Bijbelboek. Het toont Hem in een volheid die ons begrip te boven gaat.

“En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak. En nadat ik mij omgekeerd had, zag ik zeven gouden kandelaren, en te midden van de zeven kandelaren Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een lang gewaad en omgord om de borst met een gouden gordel. En Zijn hoofd en haar waren wit als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen als een vuurvlam. En Zijn voeten waren als blinkend brons, gloeiend als in een oven, en Zijn stem als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend, scherp zwaard. En Zijn gezicht was als de zon, die schijnt in haar kracht. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten. En Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd. Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf.” (Openbaring 1:12–18, HSV)

Wat mij in dit gedeelte telkens treft, is de reactie van Johannes. Van alle apostelen was Johannes waarschijnlijk zo dicht bij Jezus als iemand maar kan zijn. Hij leunde tegen Jezus aan bij het Laatste Avondmaal. Hij had Hem gezien na de opstanding. Hij had zelfs meegemaakt dat Jezus ontbijt bereidde aan de oever. Johannes kende Jezus van heel dichtbij, op een manier die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. En toch: wanneer hij Hem hier ziet, valt hij neer als dood. Iets in deze ontmoeting is zo overweldigend, zo ontregelend, dat zelfs Johannes niet blijft staan.

Waarom? Wat is er anders? Mijn overtuiging is dat Johannes hier Jezus ziet in Zijn hoedanigheid als Rechter. Niet dat Jezus opeens een andere Persoon is, maar dat Johannes Hem ontmoet in een openbaring die de meeste gelovigen te weinig kennen:
Jezus als Degene aan Wie God het oordeel heeft toevertrouwd.

Zonder Jezus als Rechter is het evangelie onbegrepen

We begrijpen het plan van verlossing niet als we Jezus uitsluitend als Redder benaderen. We begrijpen de ernst van het kruis niet als we geen plaats geven aan Gods oordeel. Jezus is niet alleen Degene Die redt; Hij is ook Degene Die zal oordelen. De Vader heeft het oordeel aan de Zoon gegeven. Dit is geen randzaak. Het is een fundamenteel onderdeel van Gods orde, en het is een onderdeel dat in veel hedendaagse prediking vrijwel ontbreekt. De consequentie daarvan is dat mensen leren leven met een eenzijdige boodschap: veel troost, weinig heiligheid; veel zegen, weinig vreze des HEEREN; veel taal over liefde, weinig besef van verantwoordelijkheid.

En laat mij dit zo duidelijk mogelijk zeggen: ieder mens zal Jezus ontmoeten. De vraag is niet óf je Hem zult ontmoeten, maar hoe. Of als Redder, of als Rechter. Er is geen derde mogelijkheid. Zelfs gelovigen, die Hem kennen als Redder, zullen Hem ontmoeten als Rechter.
Want er is een plaats die de Schrift noemt: de rechterstoel van Christus.

De rechterstoel van Christus: alles wordt openbaar

De apostel Paulus, schrijvend als christen tot christenen, zegt:

“Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder ontvangt wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2 Korinthe 5:10, HSV)

Let op die woorden: ‘openbaar worden’. Dit gaat verder dan het idee dat God ‘wel ongeveer weet hoe het zit’. Dit betekent dat wij zichtbaar zullen worden zoals wij werkelijk zijn. Alles wat verborgen is, wordt aan het licht gebracht. Niets blijft in het halfdonker. Geen zorgvuldig beheerste buitenkant kan dit maskeren. Het is alsof God het licht vol aanzet, zodat elk detail zichtbaar wordt. Dat is niet bedoeld om een gelovige alsnog te veroordelen tot verdoemenis. Wie werkelijk in Christus is, heeft geen veroordeling te vrezen. Maar het is wél een beoordeling. Een weging. Een afrekening in de zin van verantwoordelijkheid. Het gaat om beloning, om het vaststellen van trouw, om de vraag wat wij hebben gedaan met het leven dat ons is gegeven.

Er zijn mensen die worstelen met het belijden van zonde. Zij schamen zich, of zij vrezen de reactie van anderen. Dan zou ik willen zeggen: bedenk eens hoe veel beter het is om nu te belijden dan later openbaar gemaakt te worden voor het hele universum. Een zonde die je nu in het licht brengt, kan door het bloed van Jezus worden uitgewist. Een zonde die je vasthoudt, wordt uiteindelijk door God Zelf naar het licht gedwongen. Als je dat beseft, krijg je een heel andere houding tegenover bekering.
Bekering wordt geen vernedering, maar een ontsnappingsroute van genade.

Het oordeel begint bij het huis van God

De apostel Petrus zegt iets wat velen liever overslaan, maar wat niet te omzeilen is:

“Want het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God niet gehoorzamen? En als de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?” (1 Petrus 4:17–18, HSV)

Oordeel begint bij het huis van God. Niet omdat God een hardere maatstaf hanteert voor Zijn eigen volk, maar omdat Zijn volk de grootste verantwoordelijkheid draagt. Wij hebben het licht. Wij hebben het Woord. Wij kennen de waarheid. Wij hebben geproefd van genade. Wij zijn geroepen om Gods karakter te vertegenwoordigen. En juist daarom hoort er bij roeping ook rekenschap.

Dit principe is zo ernstig dat het Oude Testament er beelden voor gebruikt die je niet licht vergeet. In Ezechiël 9 zie je een profetisch tafereel waarin Gods oordeel over Jeruzalem begint in het heiligdom en bij de oudsten. Met andere woorden: het begint niet ‘buiten’, maar ‘binnen’. Het begint niet bij de mensen die God niet kennen, maar bij degenen die geacht worden Hem te vertegenwoordigen. Tegelijk laat God in datzelfde hoofdstuk iets zien dat Zijn barmhartigheid openbaart: voordat het oordeel losbreekt, gaat er een man door de stad om een merkteken aan te brengen op het voorhoofd van degenen die zuchten en treuren over de gruwelen die in de stad gebeuren. Zij worden gespaard.

Het criterium is niet: wie heeft de juiste woorden? Niet: wie behoort tot de juiste groep? Maar: wie is innerlijk gebroken over zonde? Wie is geraakt door wat God raakt? Wie draagt het gewicht van Gods heiligheid en voelt pijn over de staat van Gods volk?

Vier groepen: profeten, priesters, leiders en volk

In Ezechiël 22 wordt de aanklacht nog concreter. De volgorde is onthullend: profeten, priesters, leiders en daarna het volk. Het begint bij hen die spreken namens God. Profeten die hun mond gebruiken, priesters die het heilige beheren, leiders die invloed hebben. Pas daarna komt het volk.

Daarom is het onzinnig en on-Bijbels om te doen alsof de problemen van een land uitsluitend ‘politiek’ zijn. Een land krijgt de leiders die het verdient, maar een kerk krijgt de verantwoordelijkheid die ze niet kan ontlopen. Wanneer geestelijke leiders zwijgen over zonde, wanneer zij geen onderscheid meer maken tussen heilig en onheilig, wanneer zij mensen geruststellen terwijl God hen oproept tot bekering, dan dragen zij schuld. Er bestaat een soort religieuze pleisterlaag, een ‘pleister van ongebluste kalk’, die er tijdelijk mooi uitziet, maar die instort zodra Gods regen erop valt. Dat is niet mijn beeldspraak; dat is de taal van de profeet.

En hier raakt het ons, niet alleen in Amerika, maar ook in Nederland. Wij leven in een tijd waarin veel kerken de lat lager leggen om toegankelijk te blijven. Men wil ‘gebruiksvriendelijk’ zijn. Men vermijdt scherpe woorden als bekering, zelfverloochening, heiliging, oordeel. Men wil niemand afschrikken. Maar er is een gevaarlijke vraag die dan opkomt: zijn wij bezig mensen te dienen, of zijn wij bezig hen te sussen? Jezus heeft nooit een evangelie gepredikt dat mensen in hun zonde geruststelt. Hij heeft mensen lief, maar Hij laat niemand onbekeerd. Hij geneest, maar Hij zegt ook: “Zondig niet meer.” Genade is geen vergunning; genade is kracht tot verandering.

De liefde voor geld: een wortel die alles vergiftigt

Een thema dat ik niet kan overslaan, is het motief dat Ezechiël aanwijst als kern van corruptie: hebzucht.
Paulus zegt:

“Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht.” (1 Timotheüs 6:10, HSV)

Let op: geldzucht is niet één zonde naast andere. Het is een wortel. En uit een wortel groeit van alles. Je kunt de takken snoeien, je kunt de bladeren bijwerken, je kunt de boom cosmetisch verbeteren, maar zolang de wortel blijft zitten, zal het kwaad blijven opkomen. Geldzucht heeft een specifieke eigenschap: het vermomt zich. Het kan onder een christelijke taal-laag gaan zitten. Het kan zich kleden in ‘zegen’, ‘doorbraak’, ‘groei’, ‘invloed’. Het kan zelfs klinken als geloof. Maar God ziet het motief.

Ik heb mij vaak afgevraagd wat Bileam tot zijn ondergang bracht. De Schrift verwijst meerdere keren naar hem, en telkens wordt één motief helder: de liefde voor geld. De geldzucht zette hem in koppig verzet tegen de geopenbaarde wil van God. En uiteindelijk werd hij geoordeeld.

Daarom is de vraag niet of wij onszelf ‘charismatisch’ noemen of niet. De vraag is of wij op onze hoede zijn. Ik zou zelfs zeggen: juist degenen die spreken, die dienen, die zichtbaar zijn, lopen gevaar. Want waar geld te verdienen valt, ontstaat verleiding. In elke industrie. Ook in christelijke industrieën. Daar hoeft niemand verontwaardigd over te doen; het is een nuchtere vaststelling. Waar geld stroomt, komt verleiding. En waar verleiding wordt genormaliseerd, sterft vreze des HEEREN.

De zonden van Sodom: welvaart zonder verantwoordelijkheid

Ezechiël wijst op iets dat velen niet verwachten: wanneer God de ongerechtigheid van Sodom benoemt, noemt Hij niet als eerste de zonde waar men meestal meteen aan denkt. Hij noemt de sociale en geestelijke toestand die het morele verval voortbrengt:

“Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: hoogmoed, overvloed van brood en zorgeloze rust had zij met haar dochters, maar de hand van de arme en de behoeftige sterkte zij niet.” (Ezechiël 16:49, HSV)

Hoogmoed. Overvloed van brood. Zorgeloze rust. En geen versterking van de arme en de behoeftige. Dat zijn de omstandigheden die morele ontsporing voeden. En nu komt het ongemakkelijke punt: als wij die omstandigheden koesteren, tolereren en zelfs vieren, dan kunnen wij niet doen alsof wij ‘er niets mee te maken hebben’ wanneer de vruchten bitter worden. Wie de wortels onderhoudt, draagt verantwoordelijkheid voor de vruchten.

Hier ligt een directe lijn naar onze westerse samenleving. Wij zijn rijk. Wij hebben rust. Wij zijn georganiseerd. Wij hebben een sterke infrastructuur, verzorging, veiligheid. Dat zijn op zichzelf geen zonden. Maar ze worden geestelijk gevaarlijk wanneer ze ons immuun maken voor nood, ongevoelig voor zonde en zelfgenoegzaam tegenover God. Welvaart is een test, niet een bewijs van goedkeuring. En een van de grootste misleidingen is dat mensen zegen verwarren met instemming.

‘Wee u die gerust bent’: Het woord dat ook in 2026 spreekt

Daarom heeft het mij altijd getroffen hoe Amos 6 spreekt:

“Wee u die gerust bent op Sion…
…die liggen op ivoren bedden en zich uitstrekken op hun rustbanken…
…die zingen bij het geluid van de harp…
…die zich zalven met de beste olie, maar niet bedroefd zijn over de ondergang van Jozef.”
(Amos 6:1,4–6, HSV)

Maak de noodzakelijke aanpassingen voor cultuur en tijd, en je ziet hoe dichtbij dit komt. Amos beschrijft mensen die gelovig zijn, muzikaal creatief, welvarend, comfortabel, terwijl hun land geestelijk afglijdt richting oordeel. Ze zijn niet atheïstisch. Ze behoren tot ‘Sion’, ze zien zichzelf als Gods volk. Maar ze zijn niet bedroefd. Ze zijn niet geraakt. Ze gaan door met luxe en met liederen, terwijl de ernst van de situatie hen niet treft.

Het gevaar van welvaart is dat ze het vermogen om te rouwen over zonde afstompt. Mensen worden druk, vol, tevreden. Zij vullen hun agenda’s, hun huizen, hun tafels, hun vakanties, hun plannen. En ongemerkt verliezen zij hun innerlijke gevoeligheid voor de Heilige Geest. Ze worden niet per se ‘slechtere mensen’; ze worden vooral ongevoelig.

In 2026 klinkt dit in Nederland niet als een boodschap voor ‘ver weg’. Het is pijnlijk nabij. Wij zijn in Europa misschien wel een van de meest welvarende samenlevingen ooit. En tegelijk zien we morele verwarring, geestelijke leegte, cynisme, polarisatie, een groeiend wantrouwen tegen alles wat met Christus te maken heeft, en een kerk die vaak niet meer weet of ze een profetische stem moet zijn of een maatschappelijke dienstverlener. Mijn vraag is niet of we genoeg activiteiten hebben. Mijn vraag is of we nog genoeg rouw hebben.

Eén mens had een land kunnen sparen

En dan kom ik bij een van de meest tragische zinnen in de Bijbel. God zegt:

“Ik zocht onder hen naar iemand die een muur zou kunnen optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres zou gaan staan voor het land, zodat Ik het niet zou vernietigen, maar Ik vond niemand.” (Ezechiël 22:30, HSV)

Eén mens. Eén man of één vrouw. Dat had genoeg kunnen zijn. Niet een beweging, niet een organisatie, niet een programma, niet een campagne. Eén persoon die werkelijk in de bres gaat staan, die het gewicht draagt, die pleit, die bidt, die zich verootmoedigt, die God serieus neemt. Maar God vond niemand.

Dit is niet geschreven om ons cynisch te maken, maar om ons wakker te schudden. Het is geschreven zodat wij onszelf de vraag stellen: ben ik die persoon? Ben ik iemand die God ‘vindt’? Niet in de zin dat ik perfect ben, maar in de zin dat ik beschikbaar ben, gebroken ben, eerlijk ben, bereid ben om verantwoordelijkheid te dragen.

Let op: het criterium is niet succes. Het criterium is niet zichtbaarheid. Het criterium is niet dat je een podium hebt. Het criterium is: sta je in de bres? Ben je bewogen? Ben je bereid om Gods hart te delen, ook wanneer dat hart gebroken is?

Het avondmaal en het gevaar van geestelijke achteloosheid

Er is nog een punt dat ik niet wil overslaan, omdat het veel praktischer is dan men denkt. Paulus schrijft in 1 Korinthe 11 over het avondmaal. Veel mensen benaderen dit als een ritueel: iets dat je ‘doet’. Maar Paulus verbindt er een oordeel aan wanneer men het op een onwaardige manier gebruikt, zonder het lichaam van de Heere te onderscheiden, en met een kritische, onbarmhartige houding tegenover andere gelovigen:

“Daarom, wie dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt op onwaardige wijze, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere. Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zo eten van het brood en drinken uit de drinkbeker. Want wie eet en drinkt op onwaardige wijze, eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken en zijn er velen ontslapen.” (1 Korinthe 11:27–30, HSV)

Dit is schokkend praktisch. Paulus zegt niet: “Sommigen zijn ziek omdat ze pech hebben.” Hij zegt: ‘Daarom’ – om deze reden – zijn er zwakken, zieken, en zijn er velen gestorven. Dat is geen populair onderwerp. Maar het is de Schrift. En als je genezing zoekt, is het wijs om niet alleen te vragen: “Heere, wilt U mij genezen?”, maar ook: “Heere, wat beoordeelt U in mijn leven? Is er iets dat ik moet rechtzetten? Is er onopgeloste bitterheid? Is er een houding tegenover andere gelovigen die Uw lichaam beschadigt?”

En Paulus geeft vervolgens de weg van genade:

“Want als wij onszelf zouden beoordelen, zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, worden wij door de Heere getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld zouden worden.” (1 Korinthe 11:31–32, HSV)

Hier zie je drie mogelijkheden. De beste is: ik oordeel mezelf, ik bekeer me, en ik ontvang genade. Als ik dat niet doe, zal de Heere mij tuchtigen, en als ik daarop reageer met bekering, is dat alsnog genade. Maar als ik zelfs dan hardnekkig weiger, eindigt het in een oordeel met de wereld. Dat is een ernstige lijn, maar een lijn van barmhartigheid, want God wil niet dat Zijn volk met de wereld veroordeeld wordt. Zijn tucht is bedoeld om ons terug te brengen, niet om ons te vernietigen.

De vraag die blijft: wil je Gods hart dragen?

Ik wil je een persoonlijke vraag stellen. Niet omdat ik jouw emoties wil manipuleren, en niet omdat ik een ‘moment’ wil creëren. Ik wil je een vraag stellen omdat ik geloof dat dit de kern is. Ben je bereid om Gods hart te dragen voor je land? En begrijp me goed: Gods hart is niet altijd triomfantelijk. Het is vaak gebroken. Het is teleurgesteld. Niet omdat God wispelturig is, maar omdat Hij zoveel heeft gegeven en zo weinig respons ziet.

Wanneer een volk overvloed heeft ontvangen, ook geestelijk, draagt het een grotere verantwoordelijkheid. Dat geldt voor Amerika, dat geldt voor vele landen, en dat geldt ook voor Nederland. Wij hebben Bijbels, vrijheid, onderwijs, geschiedenis van opwekking, toegang tot waarheid, en meer middelen dan veel andere volken ooit hebben gehad. En toch kunnen we door de dag gaan zonder werkelijk te rouwen over de toestand van het land, de kerk, onze gezinnen, onze jongeren.

De Schrift zegt niet dat God op zoek is naar drukte. God is op zoek naar waarheid in het binnenste. God is op zoek naar mensen die niet doorgaan ‘met de muziek zoals altijd’ terwijl het land afglijdt. God is op zoek naar mannen en vrouwen die in de bres gaan staan.

Daarom wil ik de vraag, die Ezechiël stelt namens God, recht in het midden leggen. Niet als retoriek, maar als confrontatie:

Als de Heere vandaag door Nederland heen zou gaan, op zoek naar iemand die een muur opricht en in de bres staat, zou Hij jou dan vinden?

En als Hij die persoon vindt, wat ziet Hij dan? Ziet Hij iemand die vooral kritiek heeft, maar weinig bidt? Ziet Hij iemand die veel weet, maar weinig huilt? Ziet Hij iemand die veel praat over verval, maar niet werkelijk op de knieën gaat? Of ziet Hij iemand die zucht en treurt, niet om gelijk te krijgen, maar omdat Gods Naam wordt onteerd en mensen verloren gaan?

Zelfonderzoek en bekering

Dit is de kern waar alles samenkomt. De boodschap van oordeel is niet gegeven om gelovigen in angst te houden, maar om hen in waarheid te brengen. De boodschap van oordeel is niet het tegenovergestelde van genade; zij is de achtergrond waartegen genade schittert. Wie niet meer weet wat oordeel is, zal ook niet meer weten wat verlossing is.

Daarom is de enige juiste reactie geen discussie, maar zelfonderzoek. Paulus zegt: laat een mens zichzelf beproeven. Petrus zegt: oordeel begint bij het huis van God. Ezechiël zegt: God zoekt iemand voor de bres. Amos zegt: wee u die gerust bent en niet bedroefd. En Openbaring laat ons Jezus zien zoals Johannes Hem zag: zo heilig en zo majestueus dat een apostel neervalt als dood.

Als dit waar is, dan kunnen we niet leven alsof er niets op het spel staat. Dan kunnen we niet doorgaan met religieuze routines zonder innerlijke werkelijkheid. Dan kunnen we niet ‘comfortabel christelijk’ zijn, terwijl God zoekt naar mensen die het gewicht van Zijn hart dragen.

In 2026 is deze boodschap niet minder actueel, maar meer. Juist omdat wij zoveel hebben. Juist omdat welvaart ons kan verdoven. Juist omdat het eenvoudig is om kerk te spelen en moeilijk is om heilig te leven. Juist omdat we overal prikkels hebben en zo weinig stilte waarin God ons kan breken en vernieuwen.

Daarom eindig ik niet met een aansporing tot méér activiteiten, maar tot één ding: oprechtheid voor God. En als je mij vraagt wat de praktische uitdrukking daarvan is, dan is het niet ingewikkeld. Het is bekering. Het is jezelf oordelen voordat God je oordeelt. Het is je houding tegenover Christus’ lichaam rechtzetten. Het is je hart laten aanraken door wat God raakt. Het is de Heere zeggen: geef mij Uw hart voor dit land, ook als dat een gebroken hart is.

En als je dat bidt, bid het dan niet lichtvaardig. God neemt woorden serieus. Hij neemt verbonden serieus. Maar Hij is ook buitengewoon genadig voor wie eerlijk wordt.
Wie zichzelf oordeelt, vindt een Redder.
Wie weigert, ontmoet een Rechter.

De vraag staat. Niet om je neer te drukken, maar om je te wekken:

Zal de Heere in Nederland mensen vinden die in de bres staan?