In de bres staan

Ik roep er dan vóór alles toe op dat smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen (1 Timotheüs 2:1). Paulus leert ons dat gebed de eerste prioriteit is voor een christelijke gemeente. Hij noemt verschillende vormen van gebed, waaronder voorbede. Voorbede (of: intercessie) betekent letterlijk ’tussenbeide komen’, of uitgaand van de Nederlandse vertaling: ‘ervoor gaan staan’. Wie voorbede doet, gaat tussen God en degenen die Gods rechtvaardige straf verdienen, instaan. Deze voorbidder heft zijn handen op naar God en zegt: ,,God, zij verdienen uw oordeel; U heeft alle recht om hen te straffen, maar als U hen straft, zult U eerst mij moeten straffen, want ik sta tussen U en hen in.”

In het Oude Testament lezen we verschillende verhalen van steden en volken die door de bediening van een voorbidder gespaard werden van Gods oordeel. We zullen een aantal van deze voorbeelden bestuderen, maar eerst kijken we naar de bediening van voorbede in het leven van onze Heer Jezus Christus.

Voorbede in het leven van Jezus

Voorbede was één van de belangrijke kenmerken van Jezus’ bediening. Jesaja 53 beschrijft zijn verzoenende werk, met vers 12 als conclusie: Daarom zal Ik Hem veel toedelen, en machtigen zal Hij verdelen als buit, omdat Hij zijn ziel heeft uitgestort in de dood, onder de overtreders is geteld, omdat Hij de zonden van velen gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft.

Hier worden vier feiten over Jezus opgesomd:

  1. Hij stortte zijn ziel uit in de dood. Leviticus 17:11 zegt: het leven (of de ziel) van het vlees is in het bloed. Jezus stortte zijn bloed uit, en daarmee dus ook zijn ziel.
  2. Hij werd gerekend onder de zondaars. Hij werd gekruisigd tussen twee misdadigers.
  3. Hij droeg de zonden van velen. Hij werd het zondeoffer voor ons allemaal.
  4. Hij deed voorbede voor de zondaars. Jezus deed voorbede in de meest extreme vorm. Hangend aan het kruis zei Hij: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. (Lukas 23:34) Daarmee zei Hij tevens: „Het oordeel dat over hen zou moeten komen, laat dat op mij neerkomen.” En zo gebeurde het.

Hebreeën 7 spreekt over Jezus na zijn dood, opstanding en hemelvaart. Hier staat dat Jezus onze Hogepriester is, aan Gods rechterhand. Omdat Hij een eeuwig en onveranderlijk priesterschap bezit dat nooit van hem zal wijken, kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten (of: voorbede te doen) (Hebreeën 7:25).

Als we Jezus’ leven en bediening bestuderen, zien we een interessante verhouding: De eerste dertig jaar van zijn leven verliepen onopvallend en onzichtbaar in de context van een perfecte gezinssituatie, gevolgd door drieënhalf jaar in een duidelijk zichtbare, krachtige bediening. En nu brengt Hij tweeduizend jaar door in een bediening van voorbede voor Gods troon, onzichtbaar voor mensen. Vanaf zijn hemelvaart is Jezus onze voorbidder voor ons bij de Vader.

Oudtestamentische voorbeelden – Abraham

De grootste heiligen waren vaak tevens de grootste voorbidders, omdat zij het dichtst bij Gods hart leefden. Het Oude Testament beschrijft een aantal grote voorbeelden. In Genesis 18 bezoekt de Heer met twee engelen de tent van Abraham. Aan het eind van het bezoek zegt de Heer: ,,Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? (Genesis 18:17). Met andere woorden, de Heer ziet Abraham als zijn persoonlijke vriend, met wie Hij zijn gedachten, plannen en overwegingen wil delen. Zo vertelt Hij aan Abraham: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar. Ik zal nu afdalen en zien of zij werkelijk alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten. (Genesis 18:20-21)

Voor Abraham was Sodom erg belangrijk, omdat zijn neef Lot daar woonde. Hij wist dan ook dat als het oordeel over Sodom zou komen, zijn familie daar ook onder te lijden zou hebben.

Het verhaal gaat verder: Toen keerden die mannen vandaar om en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van de HEERE. En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige tegelijk met de goddeloze wegvagen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn? Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat U de rechtvaardige samen met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige, zo de goddeloze. Daar kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen? (Genesis 18:22-25)

Er was veel moed voor nodig om zo tegen de Heer te spreken, maar Abraham wist dat het totaal niet Gods karakter was en tegen zijn rechtvaardigheid inging, om rechtvaardigen onder het oordeel te laten vallen. Psalm 91 bevestigt dit principe: Al zullen er duizend vallen aan uw zijde en tienduizend aan uw rechterhand, bij u zal het onheil niet komen. Slechts met uw ogen zult u het aanschouwen, u zult de vergelding aan de goddelozen zien (Psalm 91:7-8). Geen enkel rechtvaardig oordeel over de goddelozen zal de rechtvaardige raken. De rechtvaardige kan zich wel temidden van een oordeel bevinden, maar zal er zelf niet door getroffen worden.

Hierbij moeten we wel rekening houden met het verschil tussen oordeel en vervolging omwille van de gerechtigheid. De Bijbel leert ons namelijk wel dat de rechtvaardige vervolging zal ondervinden. Het verschil is dat het oordeel over de goddelozen van God komt, terwijl vervolging omwille van de gerechtigheid juist bij de goddelozen vandaan komt. Dus met heilige vrijmoedigheid en de diepe overtuiging dat God absoluut rechtvaardig is, gaat Abraham verder met God in discussie: ,,Heer als er vijftig rechtvaardigen zijn in de stad, zult u dan de stad sparen?” De Heer antwoordt Abraham dat Hij de stad zal sparen als Hij vijftig rechtvaardigen kan vinden. ,,Wat als er vijfenveertig rechtvaardigen zijn? Zult u de stad sparen voor vijfenveertig rechtvaardigen?” En de Heer zegt dat Hij de stad zal sparen als er vijfenveertig rechtvaardigen zijn. En zo gaat het gesprek verder, totdat Abraham bij zijn laatste vraag komt: ,,Wat als er slechts tien rechtvaardigen zijn in de hele stad? Zult u de stad sparen omwille van tien rechtvaardigen?” En de Heer antwoordt dat Hij de stad zal sparen omwille van tien rechtvaardigen.

Wat een geweldige openbaring! Bijbelgeleerden geven aan dat Sodom een grote stad was voor haar tijd, met minstens tienduizend inwoners. Omwille van tien inwoners op tienduizend, was God bereid de hele stad te sparen. Dat is één op duizend!

Eén op duizend! De Bijbel gebruikt dit verhaal blijkbaar om een mens van uitzonderlijke rechtvaardigheid te duiden. God zegt: ,,Als ik in Sodom één iemand met een gelijke rechtvaardigheid kan vinden per duizend inwoners, zal ik de stad sparen.” Als we deze verhoudingen toepassen op onze eigen stad, zouden wij dan ook gezien worden als één van die rechtvaardigen, omwille van wie Gods oordeel wordt afgewend van onze stad?

De voorbede van Mozes

Ons tweede voorbeeld is Mozes. In Exodus 32 beklom hij de berg Sinaï, om het verbond van God te gaan ontvangen. Toen Mozes lang wegbleef, werd het volk ongeduldig en drongen ze er bij Aäron op aan dat hij voor hen afgoden zou maken om te aanbidden. Hierop verzamelde Aäron gouden sieraden, waaruit hij een gouden kalf smeedde. Het volk danste om het kalf heen en begon het te aanbidden. Terwijl dit plaatsvond in het kamp, zei God op de berg tegen Mozes: Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga, daal af, want uw volk, dat u uit het land Egypte hebt geleid, heeft verderfelijk gehandeld. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had: zij hebben voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt, zij buigen zich ervoor neer, offeren eraan… (Exodus 32:7-8)

Op dit spannende moment, waarin het lot van Israël aan een zijden draadje hangt, bespeuren we desondanks een zekere vorm van humor in het gesprek tussen God en Mozes. God spreekt tot Mozes namelijk over Israël ’jouw volk’. Mozes, die weigert deze verantwoordelijkheid te aanvaarden, kaatst de bal terug door tegen God te zeggen: ’uw volk’, waarmee hij de verantwoordelijkheid teruglegt bij God. God noch Mozes wenst op dat moment verantwoordelijk te zijn voor Israël. Ondertussen danst Israël rond het kalf, totaal niet beseffend dat op dat moment over hun lot wordt gediscussieerd door Mozes en God.

God zegt tegen Mozes: Nu dan, laat Mij begaan, zodat mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig (Exodus 32:10). Merk op dat God dus blijkbaar niets zal doen, tenzij Mozes dat toestaat. Maar Mozes gaat niet opzij – hij wil God niet ‘laten begaan’. Als een voorbidder blijft hij tussen God en het volk in staan. Uiteindelijk zegt God dat Hij Mozes zal gebruiken om zijn belofte aan Abraham, Izak en Jakob te vervullen, door met hem opnieuw te beginnen en een groot volk uit hem voort te brengen. Hoewel het volk Mozes sinds de uittocht alleen maar tot last is geweest, springt hij toch voor hen in de bres (vers 11 en 12). Daarbij gaat het Mozes bovendien om Gods reputatie. Hij zegt: ,,Heer, als U dit volk uit Egypte leidt om ze vervolgens in de bergen weg te vagen, dan zullen de Egyptenaren zeggen dat U hen met slechte bedoelingen uit Egypte hebt geleid.”

Aan het slot van Exodus 32 lezen we de afloop van Mozes’ voorbede. Nadat hij naar het kamp is teruggekeerd om orde op zaken te stellen, spreekt hij tot het volk: ,,U hebt zwaar gezondigd. Toch zal ik de berg op gaan; misschien kan ik de HEER ertoe bewegen u uw zonden niet aan te rekenen.” Hierop keert hij terug naar de HEER en zegt: “Ach HEER, dit volk heeft zwaar gezondigd: ze hebben een god van goud gemaakt. Schenk hun vergeving voor die zonde. Wilt u dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat u geschreven hebt.”

Dat is voorbede doen! ,,God, zij verdienen uw straf; vergeef hen. Als U hen niet vergeeft, laat hun oordeel dan op mij komen.” De voorbidder is degene die tussen God en Zijn woede in gaat staan. Psalm 106 geeft commentaar op dit incident vanuit bovennatuurlijk inzicht:

Zij maakten een stierkalf bij de Horeb en bogen zich voor een stuk metaal. God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld van een dier dat gras eet. Vergeten waren zij God, hun redder, die iets groots had verricht in Egypte, wonderen in het land van Cham, geduchte daden bij de Rietzee. Hij besloot hen uit te roeien, maar Mozes, de man die hij had gekozen, verdedigde hen, ging voor hem staan en wendde zijn dodelijke woede af. (Psalm 106:19-23)

Een bres is een gat dat geslagen is in een verdedigingsmuur. Wie in dat gat gaat staan, stelt zijn eigen leven in de waagschaal om de verdediging in tact te houden. Mozes sprong in de bres die veroorzaakt was door de zonde van Gods volk en zei: ,,Heer, ik verdedig het volk tegen uw oordeel, ik ga in de bres staan. Uw straf zal eerst langs mij moeten, voordat die het volk kan bereiken.”

In Numeri 16 vinden we nog een sprekend beeld van voorbede. Hier zijn Mozes en Aäron beiden de voorbidders. God heeft de rebellie van Korach, Datan en Abiram soeverein afgehandeld door hen te laten verzwelgen door de aarde. Maar: …De volgende dag morde heel de gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en tegen Aäron: Ú hebt het volk van de HEERE gedood! En het gebeurde, toen de gemeenschap tegen Mozes en tegen Aäron bijeenkwam, en men zich naar de tent van ontmoeting keerde, dat zie, de wolk deze bedekte en de heerlijkheid van de HEERE verscheen… En de HEERE sprak tot Mozes: Trek u terug uit het midden van deze gemeenschap, en Ik zal hen vernietigen, in een ogenblik! Toen wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde (Numeri 16:41-45). Dat is de plaats van de voorbidder, uitgestrekt met het gezicht ter aarde, in het besef dat het oordeel elk moment kan plaatsvinden.

Persoonlijk verbaast mij elke keer weer hoeveel genade Mozes en Aäron kunnen opbrengen. Het volk had zich zonder reden tegen hen gekeerd. Toch waren ze bereid om voorbede te doen voor de mensen die hen zojuist bekritiseerd hadden, zelfs met het risico dat ze zelf zouden omkomen.

Mozes sprak tot Aaron en gaf hem een opdracht: En Mozes zei tegen Aäron: Neem de vuurschaal en doe er vuur in van het altaar, en leg er reukwerk op, en ga onmiddellijk naar de gemeenschap en doe verzoening voor hen, want grote toorn is uitgegaan van voor het aangezicht van de HEERE; de plaag is al begonnen. Aäron nam de vuurschaal, zoals Mozes had gesproken, en liep snel naar het midden van de gemeente, en zie, de plaag was onder het volk begonnen. En hij legde er reukwerk in en deed verzoening voor het volk. Hij bleef tussen de doden en de levenden in staan, en de plaag werd tot stilstand gebracht. (Numeri 16:46-48)

De woorden in dit gedeelte benadrukken het enorme belang van voorbede. Mozes zei tegen Aäron: “Ga onmiddellijk…” Aäron liep niet rustig naar het midden van de gemeente, maar maakte haast. Vertraging kostte levens!

Het woord plaag suggereert iets zeer besmettelijks en om daar verzoening voor te doen, moest Aäron zichzelf blootstellen aan die besmetting. Hij riskeerde zijn leven. Toen hij het wierookvat bewoog, steeg de rook op in een witte lijn en scheidde het de levenden van de doden. Waar de witte rook opsteeg van het wierookvat, stopte de plaag. Dat geeft prachtig weer wat het betekent om voorbede te doen: Tussen de doden en hen die nabij de dood zijn in gaan staan, met gevaar voor eigen leven. Vervolgens vurig gebed en smeekbede aanbieden als de witte rook uit het wierookvat, totdat de plaag verdwijnt.

Gebrek aan voorbidders

Ezechiël 22:23-31 schetst ons een andere situatie. De omstandigheden zijn ongeveer hetzelfde als die bij Aäron in de zin dat Gods volk gezondigd heeft, maar het verschil is dat er deze keer geen voorbidder is die tussen de zonde van het volk en Gods oordeel in gaat staan.

Het woord van de HEERE kwam tot mij: Mensenkind, zeg tegen het land: U bent een land dat niet gereinigd is, dat zijn regen niet heeft gekregen op de dag van de gramschap. Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden… zijn priesters hebben mijn wet geweld aangedaan… zijn vorsten zijn in zijn midden als wolven… De bevolking van het land doet niets dan afpersen, doet niets dan roven. De ellendige en arme persen zij af… Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand. Daarop stortte Ik mijn gramschap over hen uit.

Elke bevolkingslaag heeft volledig gefaald - de profeten, de priesters, de vorsten en de bevolking zelf. Elke groep staat voor een bepaald segment van de samenleving. De profeten zijn verantwoordelijk om rechtstreeks Gods boodschap over te brengen. De priesters zijn de leiders van de georganiseerde godsdienst. De vorsten zijn de seculiere heersers. Het volk is de rest, de gewone mensen. De volgorde waarin deze vier groepen worden genoemd is belangrijk. Het proces van verval begon met het geestelijk leiderschap; de profeten spraken Gods Woord niet meer en de geestelijk leiders dwaalden af van Gods wet. Vervolgens werd de seculiere regering corrupt, en uiteindelijk werd het hele volk getroffen. (Dit proces van verval zien we vandaag de dag nog steeds in veel landen.)

Hoewel elke laag van de bevolking corrupt was geworden, was de situatie nog niet hopeloos. God zocht één iemand, één voorbidder, die in de bres ging staan, zodat Hij de hele natie kon sparen. Maar omdat Hij zo iemand niet kon vinden, stortte Hij zijn smaad op hen uit en verteerde Hij hen met het vuur van zijn gramschap. Slechts één persoon, één voorbidder, zou een hele natie kunnen redden van het oordeel!

Voorbidders zijn nodig

De Bijbel openbaart dat er geoordeeld zal worden naar de mate van licht dat iemand (of een volk) ontvangen heeft. Hoe meer licht, hoe strenger het oordeel. Met alle media - radio, tv, boeken, internet en telefonie - waarmee tegenwoordig de waarheid verspreid wordt, is er waarschijnlijk nog nooit een generatie geweest met zoveel toegang tot geestelijk licht.

In 1953, toen ik nog voorganger was in Engeland, sprak God hoorbaar tot mij, en zei: ,,Er zal een grote opwekking komen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.” Hiervoor legde God één basis: gehoorzaamheid. Ik geloof dat er een grote opwekking zal komen, als God voorbidders kan vinden die zijn oordeel afwenden en die vragen om zijn barmhartigheid. Afsluitend wil ik graag vier eigenschappen noemen van een echte voorbidder:

1. Een voorbidder moet net als Abraham een absolute, diepe overtuiging hebben van Gods rechtvaardigheid: Hij moet diep doordrongen zijn van het feit dat God nooit het oordeel dat bestemd is voor de goddeloze, zal brengen over de rechtvaardige. Tegelijk moet hij een glasheldere visie hebben over Gods absolute gerechtigheid, en daarmee de onvermijdelijkheid van Gods oordeel over de goddeloze.

2. Een ware voorbidder moet net als Mozes totaal gericht zijn op Gods aanzien en eer. Tot twee keer toe wees Mozes Gods aanbod af om hem de vader van het grootste volk op aarde te laten worden. Gods eer en heerlijkheid was voor Mozes belangrijker dan zijn eigen reputatie.

3. Een voorbidder moet een intieme relatie met God hebben. Alleen dan zal hij bereid zijn om zijn eigen leven te offeren in voorbede, net als Aäron die, gehoorzamend aan Gods stem, de mogelijke besmetting van de plaag negeerde om zijn plaats in te nemen tussen de levenden en de doden.

4. Een voorbidder heeft heilige vrijmoedigheid. Net als Aäron moet hij de moed hebben zijn leven te riskeren en zeggen: ,,Plaag of geen plaag, ik neem mijn plaats in!”

Er is in geestelijke zin geen hogere roeping dan die van voorbidder. Want als je functioneert als voorbidder, dan bereik je de troon. Mensen zullen je misschien niet zien omdat je functioneert in de hemelse gewesten, buiten het zicht, achter het tweede voorhangsel. Maar in het koninkrijk van God is je leven zowel voor het tijdelijke als voor de eeuwigheid van grote waarde.


Meer weten?

Lees dan 'Leer bidden' of 'In Gods aanwezigheid'.