Oplegging van handen

Het doorgeven van zegen, gezag en genezing

Als we puur vanuit ons menselijk verstand zouden moeten bepalen wat de zes basisprincipes zijn van het christelijk geloof, dan zou de leer van het opleggen van handen vast nooit zijn gekozen. Maar uiteindelijk is het beste commentaar bij de Bijbel de Bijbel zelf, en die leert ons in Hebreeën 6:1-2 dat de vierde basisdoctrine van het christelijk geloof de oplegging van handen is – een belangrijke doctrine die in steeds bredere kerkelijke kring wordt begrepen en gepraktiseerd.

Wat moeten we ons precies voorstellen bij de uitdrukking ‘het opleggen van handen’? Het is een handeling waarbij de ene persoon zijn hand of handen legt op het lichaam van een ander, met een specifiek doel. Normaal gesproken gaat dit gepaard met een gebed, een profetische uiting, of beide.

Buiten de context van godsdienst is het opleggen van handen overigens ook niet vreemd, maar hoort het gewoon tot de normale menselijke gedragingen. In sommige delen van de wereld is het bijvoorbeeld heel normaal dat twee vrienden als ze elkaar ontmoeten, hun handen op elkaars schouders leggen. Dit gebaar staat dan voor de erkenning van hun vriendschap, of respect, of hun genoegen elkaar te ontmoeten. Of denk eens aan de moeder die haar hand op het voorhoofd van haar kind legt, als het klaagt over koorts of hoofdpijn. Dat is een heel natuurlijke, bijna instinctieve handeling, waarmee de moeder het kind wil troosten of tot rust brengen.

Binnen de context van godsdienst moet het gebruik van handoplegging dus eigenlijk ook gezien worden als een verlengstuk of afgeleide van heel natuurlijk, menselijk gedrag. Als godsdienstige daad staat het opleggen van handen normaal gesproken voor een van de volgende drie dingen: Ten eerste, de persoon legt iemand de handen op om zo geestelijke zegen over te dragen op degene die de handen krijgt opgelegd; ten tweede, degene die handen oplegt doet dit om in het openbaar erkenning te geven aan een geestelijke zegen of autoriteit die de andere persoon al ontvangen heeft; ten derde, degene die handen oplegt doet dit om de andere persoon in het openbaar aan God op te dragen voor een speciale taak of bediening. Soms worden alledrie deze redenen gecombineerd in dezelfde daad van oplegging van handen.

Oudtestamentische voorbeelden

Als we nu de bijbel openslaan, zien we dat het opleggen van handen al vanaf de eerste beschrijvingen over Gods volk, in Genesis, een heel normaal gebruik was. In Genesis 48:14 bijvoorbeeld, lezen we hoe Jozef zijn twee zonen (Efraïm en Manasse) naar zijn vader Jacob bracht om Jacobs zegen te ontvangen: Maar Israël kruiste zijn handen: zijn rechterhand legde hij op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, hoewel die de oudste was.

Eerst dacht Jozef dat zijn oude vader (Jacob die nu Israël heette) zich vergiste en probeerde hij de handen van zijn vader te verwisselen, zodat de rechterhand op Manasse kwam, de eerstgeborene, en de linkerhand op het hoofd van Efraïm, de jongere broer. Maar Jacob gaf aan dat hij door God geleid werd om zijn rechterhand op Efraïm te leggen en zijn linkerhand op Manasse. Met zijn handen nog steeds gekruist in deze positie, ging hij dus verder met het zegenen van de twee jongens, waarbij hij de eerste en grotere zegen gaf aan Efraïm en de kleinere zegen aan Manasse.

Deze passage laat duidelijk zien dat het de gewoonte was dat de zegen van een vader of grootvader werd overgedragen doordat deze zijn handen op de hoofden van zijn zoons of kleinzoons legde. Bovendien zien we dat een grotere zegen werd doorgegeven door Jacobs rechterhand, en een kleine door zijn linker.

Voor ons tweede voorbeeld kijken we naar Mozes, hoe hij tegen het eind van zijn bediening de Heer vroeg een nieuwe leider voor Israel aan te wijzen die zijn plaats zou kunnen innemen. De manier waarop de Heer voorzag in deze behoefte, lezen we in Numeri 27:18–20: De Heer zei tegen Mozes: ‘Laat Jozua, de zoon van Nun, bij je komen; hij is een man die geestkracht bezit. Leg hem de hand op en laat hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap. Draag in ieders aanwezigheid de leiding aan hem over en laat hem delen in het aanzien dat jij geniet. Dan zal heel Israël hem voortaan gehoorzamen.

De manier waarop Mozes deze opdracht van de Heer uitvoerde staat beschreven in vers 22 en 23 van hetzelfde hoofdstuk: Mozes deed wat de Heer hem had opgedragen: hij liet Jozua bij zich komen, liet hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, legde hem de handen op en droeg de leiding aan hem over. Zo had de Heer het bij monde van Mozes bevolen.

Het gevolg hiervan in Jozua ́s leven vinden we in Deuteronomium 34:9: Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest van wijsheid; want Mozes had hem de handen opgelegd. Daarom luisterden de Israëlieten nu naar hém, en zij deden zoals de Here het Mozes geboden had.

Hier zien we dat deze handoplegging van Mozes heel belangrijk was, zowel voor Jozua persoonlijk als voor het hele volk Israël gezamenlijk. Door deze handeling, ingegeven door God, bereikte Mozes twee doelen. Ten eerste droeg hij aan Jozua een mate van geestelijke wijsheid en eer over die hij van God had ontvangen; ten tweede erkende hij zo in het openbaar, voor het hele volk van Israël, het feit dat God Jozua had aangesteld als de leider die hem zou opvolgen.

Nieuwtestamentisch gebruik voor genezing

We gaan nu kijken naar het Nieuwe Testament en de rol die de instelling van het opleggen van handen daar speelt. In het Nieuwe Testament vinden we vijf verschillende doelen waarvoor de oplegging van handen wordt gebruikt. Van al deze doelen zijn zowel voorschriften als voorbeelden te vinden. Het gaat om het opleggen van handen voor:

-lichamelijke genezing

-de doop in de Heilige Geest

-het meedelen van geestelijke gaven

-het uitzenden van christelijke werkers vanuit de lokale gemeente

-de aanstelling van diakenen en oudsten

Vanzelfsprekend kunnen we in deze ene onderwijsbrief niet diepgaand op al deze vijf doelen ingaan. Daarom zullen we ons beperken tot het eerste doel: het meedelen van lichamelijke genezing. De oplegging van handen voor het bedienen van lichamelijke genezing is tot mijn grote vreugde in de volle breedte van de Kerk steeds meer aan het groeien. Het is Jezus zelf die hiertoe de opdracht gaf in zijn laatste Grote Opdracht die Hij zijn discipelen meegaf vlak voor zijn Hemelvaart. In Markus 16:17–18 lezen we hoe Jezus vijf bovennatuurlijke tekenen noemt die de gelovigen zouden volgen in de prediking van het evangelie. Op deze tekenen mogen de gelovigen aanspraak maken door geloof in Jezus’ naam. De vijfde van deze bovennatuurlijke wonderen die Jezus noemde is: En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij... op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.

Hier zien we dat het opleggen van handen tot genezing in Jezus’ naam een manier is waarop lichamelijk herstel kan worden meegedeeld aan de zieken. Verderop, in het Nieuwe Testament, in Jakobus 5:14–15, zien we een andere, ietwat verschillende toepassing van deze instelling: Is iemand onder u ziek? Laat hij dan de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen en laten die voor hem bidden en hem met olie zalven in de Naam van de Heere. En het gelovig gebed zal de zieke behouden en de Heere zal hem herstellen. En als hij zonden gedaan heeft, zal hem dat vergeven worden.

De instelling die hier wordt neergezet is het feit dat zieken in de naam van de Heer gezalfd moeten worden met olie. Allebei deze instellingen zijn alleen maar effectief op basis van geloof in de naam van Jezus. In het geval van zalving met olie staat er bovendien bij dat het gepaard moet gaan met gebed. In het gedeelte over handoplegging bij zieken in het Markus-evangelie, staat het gebed niet als voorwaarde genoemd. Toch is het in de meeste gevallen heel natuurlijk om bij het handen leggen op een zieke ook een gebed uit te spreken. En als zieken gezalfd worden met olie tot genezing, zal ook handoplegging hierbij vaak heel natuurlijk aanvoelen. Zo worden de twee instellingen gecombineerd in één handeling. Dit hoeft echter niet perse. Het is heel bijbels om zieken de handen op te leggen zonder hen te zalven met olie. En net zo zeer is het ook heel bijbels om de zieken met olie te zalven zonder hen de handen op te leggen.

De vraag rijst nu: is er nog enig verschil tussen deze twee instellingen voor het bidden met zieken? Zijn er momenten of situaties waarop het beter of meer gepast is om de ene instelling te gebruiken of juist de andere? En zo ja, wat zijn de Bijbelse richtlijnen voor de toepassing ervan?

Voor christenen

Het tekstgedeelte in Jakobus over het zalven met olie begint met de volgende woorden: “Is iemand onder u ziek? Laat hij dan de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen”. Omdat de brief van Jakobus in de eerste plaats is gericht aan belijdende christenen (onder de Joodse bevolking), worden met‘onder u’ waarschijnlijk met name de gelovigen bedoeld. Dit past precies bij het bevel dat er direct op volgt: Laat hij dan de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen. (Jakobus 5:14)

Iemand die geen geloof belijdt en niet verbonden is aan de christelijke kerk, valt niet onder de groep waarnaar verwezen wordt met: ‘onder u’... Ook zou deze persoon uiteraard niet weten wie de ouderlingen zijn naar wie hij wordt verwezen. Daarom lijkt het erop dat deze tweede instelling van het zalven met olie in de eerste plaats bedoeld is voor degenen die belijdend christen zijn en verbonden zijn aan de Kerk.

Een tweede belangrijke les die we uit dit gedeelte kunnen afleiden is dat God van christenen verwacht dat ze bij een gemeente behoren. Ook verwacht Hij van de leiders van een gemeente dat zij op hun beurt reageren op de lichamelijke noden van de gemeente en in geloof lichamelijke genezing bedienen, zoals de bijbel het leert. Deze beide gedachten vinden we terug in de zin: laat hij dan de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen en laten die voor hem bidden en hem met olie zalven in de Naam van de Heere. Ten eerste: elke christen zou bij een lokale gemeente moeten horen op zo’n manier dat de leiders hem kennen en hij de leiders kent. Ten tweede, de leiders moeten klaarstaan om in geloof te bidden voor genezing, zoals God het bedoeld heeft voor de gemeente.

Als we nu terugkeren naar de andere instelling van het opleggen van handen bij de zieken, zoals uitgelegd in Markus 16, dan zien we dat de context daar suggereert dat deze instelling is bedoeld in combinatie met de prediking van het evangelie tot onbekeerden – dit bidden voor de zieken is in de eerste plaats gericht op mensen die nog niet bekeerd zijn of die nieuw tot geloof zijn gekomen. Deze conclusie trek ik uit het feit dat deze opdracht tot bidden voor zieken onder handoplegging, net als de andere bovennatuurlijke wonderen en tekenen waartoe Jezus hier oproept, direct volgt na de Grote Opdracht aan Zijn discipelen om uit te gaan in de hele wereld en het evangelie te prediken, in Markus 16:15–17:

En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen...

Jezus vervolgt na deze opdracht direct met de opsomming van de vijf bovennatuurlijke wonderen, waaronder dus als vijfde het opleggen van handen bij de zieken. Elk van deze wonderen is dus blijkbaar door God bedoeld als een getuigenis, een bovennatuurlijke bevestiging van de goddelijke waarheid van het evangelie, op plaatsen waar de boodschap nog niet eerder is gehoord. Dit is ook volledig in lijn met de evangelisatiepraktijk van de discipelen waarmee het Markus- evangelie afsluit, in Markus 16:20: En zij gingen overal heen om te prediken en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door de tekenen die erop volgden. Amen.

Het eerste doel van bovennatuurlijke tekenen – inclusief de oplegging van handen tot genezing - is dus de evangelieboodschap te bevestigen, voor de mensen die het nog niet hebben aanvaard. Het lijkt daarom duidelijk dat de methode van het bidden met zieken door handoplegging in Jezus’ naam niet in de eerste plaats is bedoeld voor gelovigen die lid zijn van kerken, maar voor onbekeerden en zij die net tot geloof zijn gekomen.

Een laatste belangrijke vraag waar ik in deze brief naar wil kijken is: op welke manier komt er genezing nadat handen zijn opgelegd? De bijbel geeft hier eigenlijk niet heel precies of gedetailleerd antwoord op. Jezus zegt eigenlijk alleen maar: Op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen genezen. In plaats van de term zij zullen genezen’ mogen we ook vertalen: ‘zij zullen gezond worden, of: zij zullen gezond zijn.

Door deze woorden van Jezus blijven eigenlijk twee dingen toegeschreven aan de soevereiniteit van God:
1. De precieze manier waarop genezing zich zal manifesteren.
2. de exacte tijd die het genezingsproces zal duren.


Hiernaast zouden we Paulus’ woorden uit 1 Korinthe 12:6 kunnen plaatsen: Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Voor wat betreft de praktijk van het opleggen van handen op zieken, is er wat Paulus noemt verscheidenheid in werkingen. Dat betekent: het proces van genezing komt niet elke keer op dezelfde manier.

Geleidelijk proces?

Laat ik deze gelegenheid aangrijpen om een wijdverbreid misverstand op te helderen; massa’s christenen geloven dat Bijbelse, bovennatuurlijke genezing altijd onmiddellijk plaatsvindt – van het ene op het andere moment. Die mening deel ik niet. In mijn boek Gaven van de Geest kun je hier meer over lezen, maar ik wil deze brief besluiten met de aanmoediging om hier anders naar te gaan kijken.

In het ene geval kan de oplegging van handen een kanaal zijn waardoor de bovennatuurlijke gave van genezing opereert; in zo’n geval legt de persoon door zijn handoplegging de bovennatuurlijke genezingskracht op het lichaam van de zieke; in veel gevallen zal de laatste hierdoor in zijn eigen lichaam letterlijk kracht voelen stromen. Dit kan onmiddellijke genezing – gedeeltelijk of geheel – tot gevolg hebben.

In andere gevallen echter, ervaart degene die de handen krijgt opgelegd (of die gezalfd wordt tot genezing) helemaal niets en voelt hij helemaal geen kracht, maar is de oplegging van handen simpelweg een daad van puur geloof en gehoorzaamheid aan Gods Woord. Als er echter sprake is van gelovend gebed, mogen we erop vertrouwen dat genezing zal volgen, ook al is er geen directe dramatische verandering of bovennatuurlijke ervaring zichtbaar.

Opnieuw, Jezus noemt niet precies de tijd die het genezingsproces in beslag zal nemen, ook al zijn er in de verslagen van zijn bediening vele gevallen van onmiddellijke genezing. Soms wordt genezing onmiddellijk ontvangen zodra er handen op de zieke worden gelegd. Op andere momenten komt genezing als een geleidelijk proces. In dit tweede geval is het heel belangrijk dat de persoon die genezing zoekt actief geloof blijft oefenen totdat het herstel compleet is.

Ik bid en geloof dat de Kerk in deze tijd veel meer zal gaan zoeken naar de bovennatuurlijke manifestatie van Gods genezingskracht, tot een getuigenis voor de ongelovigen. U en ik mogen in Jezus’ naam zieken de handen opleggen tot tot genezing! Laat dat besef ons inspireren en uitdagen.


Ontleend aan het boek 'Gods kracht doorgeven'.