Daniël: Eeuwig leven of eeuwig afgrijzen

De Pijlers - dag 291
Na twee dagen zal Hij ons levend maken, op de derde dag zal Hij ons doen opstaan en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
Hosea 6:2

Daniël: Eeuwig leven of eeuwig afgrijzen

De volgende belangrijke oudtestamentische profetie van de opstanding vinden we in Daniël 12:1-3. Deze verzen maken deel uit van een openbaring over de laatste dagen, die aan Daniël werd gegeven door de engel Gabriël:
In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek. En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen. De verstandigen zullen blinken als de glans van het hemelgewelf, en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren, voor eeuwig en altijd.
Het eerste gedeelte heeft specifiek betrekking op Daniëls eigen volk, Israël, en spreekt over een tijd van benauwdheid, die zelfs groter is dan enige andere tijd waar Israël tot dusver doorheen is gegaan. Dit is ongetwijfeld dezelfde tijd van benauwdheid waarover wordt gesproken in Jeremia 30:7: Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.
In deze tijd van de grootste verdrukking zal God zelf ten slotte tussenbeide komen en het uitverkoren overblijfsel van Israël redden. Ongetwijfeld is deze tijd van Israëls benauwdheid een belangrijke fase van de totale periode van intense benauwdheid die over de hele wereld beschikt is en die in het Nieuwe Testament ‘de grote verdrukking’ wordt genoemd.
In direct verband met deze eindperiode van een grote verdrukking staat een profetie van de opstanding, want Gabriël zegt: En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen. (Daniël 12:2)
De taal die in Daniël gebruikt wordt, loopt parallel aan die van Jesaja. Beiden spreken over degenen die ‘slapen in het stof’ en over de opstanding als een ‘ontwaken’ uit het stof. Daniël gaat echter verder dan Jesaja, want hij wijst erop dat er twee fasen te onderscheiden zijn bij de opstanding - één voor de rechtvaardigen - eeuwig leven, en één voor de goddelozen - schande en eeuwig afgrijzen.
Daniël 12:3 toont verder aan dat de beloning van de rechtvaardigen bij de opstanding gebaseerd zal zijn op hun trouw in het dienen van God en aan het bekend maken van Zijn waarheid in hun tijd op aarde: De verstandigen zullen blinken als de glans van het hemelgewelf, en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren, voor eeuwig en altijd.
Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen degenen die verstandig zijn wat betreft de redding van hun eigen ziel, en degenen die een stap verder gaan en vele anderen tot gerechtigheid brengen. Beiden zullen de heerlijkheid binnengaan, maar de heerlijkheid van de laatsten zal groter zijn dan de heerlijkheid van de eersten.
Heer, het is altijd weer confronterend om ons te realiseren dat iedereen straks een eeuwige realiteit zal binnengaan; een heerlijke of een blijvend zware en moeilijke… Och Here, help mij toch om een levende getuige te zijn van de redding en heerlijkheid die er te vinden is in Uw Zoon, Jezus Christus! Amen.