Geloven in het praktische leven

Leestijd: 2 min.
Gisteren hebben we gelezen dat door geloof alle gewone, alledaagse activiteiten een manier worden om het leven dat we van God binnenin ons hebben ontvangen, tot uitdrukking te brengen. Pas als we met goed resultaat ons geloof hebben toegepast in de gewone gebieden van het leven, dan zal God ons hogere geestelijke verantwoordelijkheden geven. Jezus Zelf stelde dit principe vast in Lucas 16:10, 11: Wie trouw is in het minste, is ook in het grote trouw. En wie onrechtvaardig is in het minste, is ook in het grote onrechtvaardig. Als u dan wat betreft de onrechtvaardige mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen? Pas als we ons geloof hebben laten werken in 'het minste', in de kleine dingen, en op het gebied van geld, zal God ons grotere verantwoordelijkheden en de ware geestelijke rijkdommen toevertrouwen. Daarom zullen we de komende dagen wat praktische, alledaagse gebieden bekijken waar ons geloof een rol in speelt. In het derde deel van de Romeinenbrief spreekt Paulus over de praktische toepassing van ons geloof. Dit begint in hoofdstuk 12... Waarmee? Met iets wat diep gees­telijk is? Nee, integendeel! Direct het eerste vers begint al met ons lichaam: "Ik roep u er dan toe op, broeders (en zusters), door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst" (Rom. 12:1). Paulus vertelt ons dat onze 'redelijke godsdienst' (KJV: 'geestelijke daad van aanbidding') eruit bestaat dat we ons lichaam aan God ter beschikking stellen. Met andere woorden, 'geestelijk' zijn is in feite heel praktisch en nuchter. Het begint met wat we doen met ons lichaam. Met dit als uitgangspunt gaat Paulus verder met een reeks praktische onderwerpen die allemaal te maken hebben met het leven als christen. In hoofdstuk 14 heeft hij het over voedsel. Paulus zet twee typen gelovigen naast elkaar: "De een gelooft wel dat hij alles eten mag, maar wie zwak is, eet plantaardig voedsel" (Rom. 14:2). Paulus timmert deze zaak niet vast met absolute uitspraken over of het wel of niet goed is om groenten te eten en verkeerd om vlees te eten, en vice versa. De beginfrase "de een gelooft..." staat in andere vertalingen terecht vertaald als "de een heeft geloof dat..." Paulus zegt feitelijk dat alles wat we in geloof doen, goed is, en alles wat we niet in geloof doen, verkeerd is. Zijn conclusie in deze richting vinden we in het laatste vers van dit hoofdstuk: "Wie echter twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En alles wat niet uit geloof is, is zonde" (Rom. 14:23). Met deze slotverklaring gaat Paulus veel verder dan de kwestie van het eten zelf (vlees of plantaardig voedsel). Hij bevestigt opnieuw het principe waar hij zijn Romeinenbrief mee geopend heeft: De rechtvaardige zal door geloof leven. Hier in Romeinen 14:23 noemt hij feitelijk hetzelfde principe, maar nu in negatieve zin: Wat niet uit geloof is, is zonde. In positieve of negatieve zin blijft de conclusie dezelfde: geloof is de enige basis voor een recht­vaardig leven. (morgen lezen we verder over 'eten door geloof')
Vader, ik wil luisteren naar de aanwijzingen die U geeft in Uw Woord om mijn leven ook op dagelijks, praktisch gebied te leven door geloof. Dank U wel dat U ook op dat gebied mij wilt sturen en ik alles door geloof mag leren doen. Ik wil trouw zijn in het minste.