Genesis: Ik geef u het land als eeuwig bezit

De Pijlers - dag 289
Na twee dagen zal Hij ons levend maken, op de derde dag zal Hij ons doen opstaan en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
Hosea 6:2

Genesis: Ik geef u het land als eeuwig bezit

De twee Psalmen die we gisteren en vorige week hebben onderzocht, Psalm 16 en Psalm 71, hebben in hoofdzaak te maken met de wederopstanding van Christus zelf. De komende dagen gaan wij teksten van het Oude Testament onderzoeken, die de opstanding van anderen voorzeggen.
Laten we beginnen bij een van Gods beloften aan Abraham, in Genesis 17:8: Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven... Er zijn twee belangrijke punten op te merken in de belofte die God hier aan Abraham geeft aangaande het bezit van het land Kanaän.
Allereerst is de volgorde van het bezitten van belang. God zegt: aan u en aan uw nageslacht na u. Dat wil zeggen, Abraham zelf moet het land éérst bezitten, en dan zijn nageslacht na hem.
Ten tweede zijn de omvang en de duur van het bezit belangrijk. God zegt: ‘het hele land Kanaän, tot een eeuwig bezit’. Die belofte kan niet in vervulling gaan door een bezetting van het land die gedeeltelijk is, of tijdelijk. De vervulling ervan vereist een volledig en permanent bezit van het hele land.
Daarom is het duidelijk dat tot op heden deze belofte van God aan Abraham nog nooit in vervulling is gegaan. Het enige gedeelte van het land dat Abraham tot op dat moment als permanent bezit had ontvangen, was net genoeg om daarin begraven te worden - de spelonk van Machpela in de velden van Efron, de Hetiet, bij Hebron.
Wat Abrahams zaad betreft, het volk Israël heeft tot op heden slechts tijdelijk of gedeeltelijk het land in bezit gehad, maar zij hebben nooit het volledige en permanente bezit gekend, dat hier door God is beloofd. Op het ogenblik houdt de staat Israël, geconfronteerd met iedere mogelijke tegenstand, hardnekkig vast aan een gebied dat slechts een fractie uitmaakt van het totale bezit dat God heeft beloofd.
Zelfs als Israël in de komende jaren het door hen bezette gebied zou blijven uitbreiden, totdat zij het hele door God beloofde land onder hun heerschappij zouden hebben, dan zou dit nog niet een complete vervulling zijn van Gods oorspronkelijke belofte aan Abraham. Die luidde immers: ‘aan u en aan uw nageslacht’. Dat wil zeggen, Abraham moest zélf eerst van het bezit van het hele land genieten, en vervolgens zijn nageslacht na hem.
Deze belofte van God kan dus niet in vervulling gaan zonder de wederopstanding. De spelonk van Machpela moet eerst zijn doden opgeven. Abraham zelf moet uit de doden worden opgewekt. Alleen op deze manier kan hij ooit in het volledige bezit komen van het land, waarin hij nu begraven ligt. Als er geen opstanding is, dan kan Gods belofte aan Abraham nooit in vervulling gaan. De belofte die God hier deed aan Abraham, gaat uit van (en hangt af van) de wederopstanding.
Daarom zien we dat deze belofte aan Abraham aangaande het eeuwige bezit van het land Kanaän, in zich de belofte draagt van Abrahams eigen opstanding uit de doden. Op deze manier wordt de waarheid van de opstanding al geopenbaard in Genesis, het eerste boek van het Oude Testament.
Trouwe hemelse Vader, dank U wel voor Uw trouw aan Uw volk en het feit dat U al Uw beloften aan hen minutieus bent nagekomen. Zo mag ook ik weten dat U alle beloften die U door Uw levende Woord heen ook aan mij hebt gedaan, nauwgezet zult nakomen. Maak mij in mijn leven ook net zo trouw aan de beloften die ik maak. Amen.