Het voorbeeld van Abraham

Leestijd: 2 min.
Gisteren behandelden we de eerste drie secties van wat Jacobus leert over geloof en werken in hoofdstuk 2:14-26. Vandaag gaan we in op de vierde.

Maar wilt u weten, o nietig mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Is Abraham, onze vader, niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, op het altaar offerde? Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden? En de Schrift is vervuld, die zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof. (vers 20-24)

Jacobus neemt het leven van Abraham om zijn stelling te illustreren. Om te kunnen volgen waar hij het over heeft, moeten we kijken naar een aantal belangrijke gebeurtenissen in Abrahams leven. In Genesis 12 riep God Abraham om Ur der Chaldeeën te verlaten en naar een land te gaan dat hij als erfdeel zou ontvangen. Toen Abraham gehoorzaamde, leidde God hem naar het land Kanaän. In Genesis 15 klaagde Abraham tegen God dat hij nog steeds geen erfgenaam voor het land bezat, die uit zijn eigen lichaam was voortgekomen. In antwoord daarop toonde God hem 's avonds de sterren en zei: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. Abrahams antwoord staat opgetekend in Genesis 15:6: En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende het hem tot gerechtigheid. Hier rekende God Abraham als rechtvaardig, niet op basis van enig goed werk, maar enkel en alleen omdat hij God geloofde. Dit is niet het einde van Abrahams geloofsrelatie met God. Nadat Abraham God geloofd had en hem op basis hiervan gerech­tigheid was toegerekend, werkte Abraham zijn geloof uit in een hele serie daden. In de volgende zeven hoofdstukken van Genesis lezen we dat God Abraham stap voor stap leidde van de ene daad van gehoorzaamheid na de andere, en dat zijn geloof langzaam maar zeker groeide. Tenslotte, in Genesis 22, kwam Abraham op het punt waar hij de zwaarste beproeving van zijn geloof had: het offeren van zijn zoon Izak op Gods altaar. Hiertoe was hij volgens Hebreeën 11:17-19 bereid, in de vaste overtuiging dat God Izak opnieuw tot leven zou wekken. Hij kwam als overwinnaar uit de beproeving tevoorschijn. In Genesis 15 was Abraham nog niet klaar voor een dergelijke beproeving. Er waren vele voorberei­dende beproevingen en worstelingen nodig, vele opeenvolgende daden van gehoorzaamheid, voor hij tot deze climax kon komen dat hij bereid was om Izak te offeren. Jacobus legt dit uit door te zeggen dat het geloof samenwerkte met zijn werken, en dat het geloof pas uit de werken volkomen werd. Geloof is altijd het beginpunt. Er kan geen ander startpunt zijn. Als geloof eenmaal tot leven is gekomen, dan wordt het vervolgens uitgewerkt in opeenvolgende tests en beproevingen. Geloof beantwoordt deze beproevingen met de bijpassende daden van gehoor­zaamheid. Iedere daad van gehoorzaamheid ontwikkelt en versterkt het geloof en bereidt het op die manier voor op de volgende test. Tenslotte, door een hele serie van zulke beproevingen en daden van gehoorzaamheid, wordt het geloof volwassen, volmaakt.

Heer, wilt U mij helpen om, als er beproevingen van mijn geloof op mijn pad komen, ze te benaderen met gehoorzaamheid aan U, vanuit het geloof. Wilt U mij de vreugde voor ogen houden, dat als ik met de juiste gehoorzaamheid in daden reageer, mijn geloof zal groeien door moeilijkheden heen. U heeft een weg van groei voor mij, en ik zal in vreugde Uw weg volgen.