Nader tot God zonder veroordeling

Thema: Leer bidden

De ene kant van het met vrijmoedigheid tot God naderen, die we gisteren besproken hebben is dus dat we naderen met vertrouwen. De andere kant is dat we naderen zonder veroordeling. Gevoelens van veroordeling zullen altijd ons vertrouwen ondermijnen.
Verschillende Bijbelgedeelten spreken over de noodzaak om vrij te zijn van veroordeling. In de Psalmen staat bijvoorbeeld: Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad, (NBV: Had ik kwaad in mijn hart gevonden), de Heere zou mij niet hebben gehoord (Psalm 66:18). ‘Onrecht op het oog hebben’ betekent dat ik me bewust ben van iets wat mij veroordeelt. Iedere keer dat ik probeer God te naderen met vertrouwen, herinnert de satan me aan wat verkeerd is in mij, iets waar nog niet mee is afgerekend. Dat kan een zonde zijn die nog niet beleden is, of als het wel beleden is, heb ik nog niet de vergeving van God gevraagd en ontvangen. Als ik mijzelf veroordeel vanwege deze zonde in mijn hart, dan zal ik niet ontvangen waar ik voor bid. Ik moet het oordeel verwijderen uit mijn hart en vrijmoedig voor zijn troon komen (zie Hebreeën 4:16). Dit doen we door geloof. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9). Als we belijden, ons bekeren en God vertrouwen voor de vergeving en reiniging die Hij beloofd heeft, dan moeten we het vervolgens ook loslaten en niet door blijven gaan met ons zorgen maken over onze zonden. Want als ik dat doe, als ik me steeds bewust blijf van mijn zonde terwijl ik bid – dus in mijn hart onrecht op het oog houd – dan zal de Heer mijn gebeden niet horen. Maar weet je wat de psalmist vervolgens zegt? ‘God heeft naar mij geluisterd’(vers 19). Met andere woorden: de psalmist rees uit boven satans poging om hem te veroordelen. Johannes geeft dezelfde gedachte weer: Geliefden! Als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid om tot God te gaan; en wat wij ook maar bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij zijn geboden in acht nemen en doen wat Hem welgevallig is (1 Johannes 3:21-22).
We moeten af van iedere houding die suggereert dat we op de één of andere manier gerechtigheid hebben in onszelf. We hebben geen enkele gerechtigheid in onszelf. We moeten komen tot het punt van vertrouwen in Gods trouw, en dat brengt weer groter vertrouwen voort. Opnieuw lezen we dit in Romeinen 8:1 waar Paulus zegt: Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn (NBG). In de rest van dit hoofdstuk schildert hij het meest glorieuze beeld van alle zegeningen en voorrechten van een leven dat gevuld is en geleid wordt door de Heilige Geest. We krijgen toegang tot dat soort leven als we veroordeling opzij leggen. Ik denk dat het grote probleem met de meeste christenen is dat ze niet weten of ze rechtvaardig zijn of niet. Als ik gerechtvaardigd ben door geloof in Jezus Christus, dan ben ik rechtvaardig gemaakt met zijn rechtvaardigheid. Dat is de waarheid. En als ik dat weet, erop sta en ernaar leef, dan kan geen veroordeling van de satan mij ooit nog raken.
Er moet een moment komen dat we iedere poging om onszelf te rechtvaardigen opzij zetten en zeggen: „Ik ontvang door geloof de rechtvaardigheid van Jezus Christus, mij toegerekend door mijn geloof in Hem, naar het Woord van God. Ik zal me geen zorgen maken of mijn verdiensten en prestaties wel goed genoeg zijn, en ik zal me ook geen zorgen maken over mijn zonden. Ik zal niet pronken met mijn goede daden, noch me schamen voor mijn slechte. Ik zal niet mijn eigen hart continu onderzoeken en analyseren of ik wel goed genoeg ben. Ik zal vertrouwen op Gods overvloedige genade, dat het bloed van Jezus me heeft gereinigd van alle zonde. En nu ga ik vrijmoedig naar de troon, rechtstreeks naar de heiligste plaats die er is.” Dat is een glorieuze manier van binnenkomen.

Vader, ik wil mijn zonden aan U belijden (noem concreet de zonden die er in je hart zijn). Dank U wel dat U mij, nu ik mijn zonden beleden heb, vergeeft en reinigt. Spreekt U mij vrij van verborgen zonden*. Ik mag nu met vrijmoedigheid bij Uw troon komen, zonder veroordeling in mijn hart. Dank U dat U mij hoort!