
Opwekking: de verantwoordelijkheid van de Kerk
Het eerste deel uit de serie ‘Wat mag opwekking ons kosten?’
In deze brief wil ik een thema delen waarvan ik geloof dat God het op mijn hart heeft gelegd. Niet alleen om anderen te dienen, maar ook om mezelf eraan te verbinden. Want zodra je iets uitspreekt, neem je er verantwoordelijkheid voor. Het thema is dit: in iedere natie waar de Kerk aanwezig is, houdt God de Kerk medeverantwoordelijk voor de toestand van die natie.
Dat is een ernstige gedachte. Toch geloof ik dat de Schrift dit duidelijk laat zien. Wie een land wil bereiken, moet daarom beginnen bij de Kerk. God werkt door Zijn gemeente heen, en tegelijk beoordeelt Hij haar op de manier waarop zij haar roeping vervult. Wanneer wij kijken naar de toestand van een samenleving, is het gemakkelijk om alleen naar politiek, cultuur of onderwijs te wijzen. Maar de vraag van God gaat dieper. Hij vraagt niet alleen wat er misgaat in de wereld, maar ook wat er ontbreekt in Zijn gemeente. Daarom begint geestelijke verandering in eerste instantie nooit buiten de Kerk, maar binnen de Kerk.
Er wordt veel gesproken over opwekking. Soms zo vaak en zo oppervlakkig dat het woord zijn kracht lijkt te verliezen. Maar echte opwekking heeft in de geschiedenis plaatsgevonden. In 1904 vond in Wales een opwekking plaats die het hele maatschappelijke leven raakte. Mijnwerkers die bekendstonden om hun grove taal veranderden zo radicaal dat zelfs de pony's in de mijnen niet meer begrepen wat er gebeurde. Die dieren waren gewend te reageren op geschreeuw en vloeken. Toen dat ophield, bleven ze stilstaan. Dat is het effect van echte opwekking: niet slechts religieuze activiteit, maar een zichtbare verandering van mensen en samenleving.
Iets vergelijkbaars gebeurde tijdens de opwekking op de Hebriden in 1948. Scheepsbemanningen die langs de kust voeren, werden diep overtuigd van zonde en riepen tot God om genade. Ook onder de bediening van Charles Finney (1830-1832 in New York) gebeurde het dat mensen bij het binnenkomen van een stad plotseling werden aangegrepen door Gods tegenwoordigheid.
Dat is meer dan evangelisatie. Evangelisatie brengt mensen tot geloof; opwekking brengt datgene wat geestelijk dood is opnieuw tot leven. Die diepste nood van de Kerk is daarom niet allereerst meer activiteit, maar nieuw geestelijk leven. De Kerk heeft opwekking nodig. Wanneer de gemeente geestelijk verzwakt raakt, verliest ook haar getuigenis kracht. En wanneer haar getuigenis kracht verliest, wordt de samenleving steeds donkerder. Daarom is de toestand van een land nooit volledig los te maken van de geestelijke toestand van de Kerk in dat land.
Christus het Hoofd, de Kerk Zijn lichaam
In Efeziërs 1:22–23 staat geschreven:
“En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als Hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is.”
Het Griekse woord pas, dat hier met “alle” is vertaald, betekent letterlijk: niets uitgezonderd. Alles - zichtbaar en onzichtbaar, materieel en geestelijk - is aan Hem onderworpen. Alles. Alles is aan Christus onderworpen. Niets uitgezonderd. De Kerk is Zijn lichaam. Christus is het Hoofd. Dat betekent dat Hij Zijn wil op aarde uitvoert door middel van Zijn gemeente. Een hoofd kan echter niets doen zonder het lichaam. Mijn hoofd kan besluiten te gaan lopen, maar mijn voeten moeten mij dragen. Mijn hoofd kan besluiten een Bijbel op te pakken, maar mijn handen moeten hem optillen. Zo werkt het ook geestelijk. Christus werkt door Zijn lichaam heen.
Soms vragen mensen waarom God bepaalde dingen niet gewoon Zelf doet. Maar God neemt niet terug wat Hij aan Zijn gemeente heeft opgedragen. Jezus gaf de opdracht om alle volken tot discipelen te maken. Hij heeft die opdracht nooit ingetrokken. De wereld zal niet bereikt worden doordat Jezus het werk buiten de Kerk om afmaakt. Het werk zal voltooid worden wanneer de Kerk gehoorzaam wordt.
De ware betekenis van “Kerk”
Het woord “Kerk” verbergt gedeeltelijk de betekenis van het Bijbelse woord ekklesia. Het woord ekklesia komt van een werkwoord dat “uitroepen” of “naar buiten roepen” betekent. De Kerk is dus een groep mensen die uit de wereld is geroepen. In het oude Griekenland was de ekklesia het bestuursorgaan van een stadstaat. Het woord betekende letterlijk: mensen die uit de samenleving geroepen waren om verantwoordelijkheid te dragen. Dat geeft een belangrijk inzicht in de roeping van de gemeente. De Kerk is niet slechts een religieuze bijeenkomst, maar Gods bestuurlijke lichaam op aarde.
Christus is Koning, maar Hij voert Zijn heerschappij uit door Zijn lichaam. Veel christenen denken nauwelijks in die termen. Toch houdt Jezus de Kerk verantwoordelijk voor haar geestelijke invloed. Wanneer wij kijken naar de morele verwarring van een samenleving, vraagt Jezus niet alleen wat de wereld verkeerd doet, maar ook wat de Kerk nalaat. Daarom begint verandering altijd bij de gemeente zelf. Tijdens de opwekking in Wales gebruikte God een man genaamd Evan Roberts. Een van zijn bekendste uitspraken was:
“Buig de Kerk en de wereld zal volgen.”
Met andere woorden: wanneer de Kerk zich werkelijk onderwerpt aan God, zal dat invloed hebben op de samenleving. In veel opzichten – hoewel niet in alle – ligt de bestemming van een land in handen van de Kerk, in handen van mensen zoals jij en ik. De vraag is: beseffen we wat dit inhoudt? Dit is een diepe en ernstige verantwoordelijkheid!
Op je wegen zal het licht schijnen
In het oude Athene konden de wetten niet veranderd worden, maar de ekklesia mocht wel besluiten nemen en die uitvoeren binnen het kader van die wetten. Dat is een treffend beeld van de Kerk: Christus heeft de waarheid gegeven. Wij mogen die waarheid toepassen en uitvoeren. De sleuteltekst voor Derek Prince Ministries is Matteüs 24:14:
“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen.”
Wanneer komt het einde? Wanneer het evangelie van het Koninkrijk in de hele wereld aan alle volken is verkondigd. En dat is niet een menselijk alternatief evangelie, maar het echte evangelie van het Koninkrijk. Wie is er verantwoordelijk om dat evangelie aan alle volken te verkondigen? Kun je zeggen: “Ik ben samen met de rest van het lichaam verantwoordelijk”? Jezus zal niet uit de hemel komen om het over te nemen. Hij wacht. Ik denk dat Hij geduldig wacht, maar in zekere zin ook ongeduldig. Hoeveel andere dingen hebben wij toegestaan om voorrang te krijgen boven deze opdracht. In Job 22:28 staat:
“Als je een zaak besluit, dan komt die voor je tot stand; en op je wegen zal het licht schijnen.”
Er bestaat geestelijke autoriteit voor een gemeente die onder Christus leeft. Christus, Die het Hoofd van de Kerk is. Maar autoriteit kan nooit losstaan van onderwerping. De Kerk kan de autoriteit van Jezus alleen vertegenwoordigen wanneer zij zelf onder Zijn heerschappij staat. Er is echter helaas een groot gebrek aan geestelijke autoriteit, juist omdat een groot deel van de Kerk niet langer werkelijk onder Christus leeft.
De Kerk als remmende kracht
In 2 Thessalonicenzen 2 spreekt Paulus over de komst van de antichrist en over een grote afval die daaraan voorafgaat. Paulus maakt duidelijk dat er een kracht is die de volledige doorbraak van wetteloosheid nog tegenhoudt. Deze “weerhouder” wordt op twee manieren geïnterpreteerd: als de Heilige Geest of als de Kerk. Waarschijnlijk gaat het om beide — de Heilige Geest die werkt in en door de Kerk.
De conclusie die daaruit voortvloeit, is ingrijpend: de volledige doorbraak van het kwaad in deze tijd zal pas plaatsvinden wanneer de Kerk, door afvalligheid, haar remmende rol opgeeft. Volgens deze visie is die afval in grote delen van de westerse wereld al ver gevorderd. Binnen invloedrijke lagen van Kerken zou er sprake zijn van een ontwikkeling waarin essentiële geloofswaarheden worden losgelaten. Daarmee verdwijnt ook de geestelijke kracht die het kwaad tegenhoudt.
Dat maakt deze waarschuwing zo ernstig. Een Kerk kan haar gebouwen behouden, haar programma's behouden en zelfs haar taal behouden, terwijl zij langzaam haar geestelijke kracht verliest. De conclusie is scherp: de kracht en geloofwaardigheid van het christendom ligt niet in aantallen of structuren, maar in het bestaan van echte discipelen. Zij vormen de zichtbare demonstratie van wat het geloof werkelijk betekent.
Satan begrijpt wat veel christenen vergeten: zolang de Kerk werkelijk onder de autoriteit van Christus leeft, vormt zij een blokkade voor de volledige doorbraak van wetteloosheid. Daarom probeert de vijand voortdurend de Kerk te verzwakken — niet alleen door vervolging van buitenaf, maar vooral door compromis van binnenuit. Wanneer waarheid wordt afgezwakt, wanneer zonde niet meer benoemd wordt en wanneer discipelschap vervangen wordt door oppervlakkige religie, verliest de Kerk haar geestelijke gewicht. Dat zien wij vandaag in grote delen van de westerse wereld.
Steeds vaker worden fundamentele Bijbelse waarheden aangepast aan de cultuur in plaats van andersom. Maar zodra de Kerk zich laat vormen door de geest van de tijd, kan zij de tijdgeest niet langer confronteren. De Kerk is geroepen om zout en licht te zijn. Zout dat zijn kracht verliest, heeft geen invloed meer. Licht dat verborgen raakt, verdrijft de duisternis niet. Daarom is geestelijke opwekking geen luxe, maar noodzaak.
Geen Kerkleden, maar discipelen
De conclusie is scherp: de kracht en geloofwaardigheid van het christendom ligt niet in aantallen of structuren, maar in het bestaan van echte discipelen. Zij vormen de zichtbare demonstratie van wat het geloof werkelijk betekent. In Matteüs 28:19 zegt Jezus:
“Ga dan heen, maak alle volken tot Mijn discipelen.”
Opvallend is dat Jezus niet zegt: maak Kerkleden. Hij zegt: maak discipelen. Het Nieuwe Testament legt de nadruk niet op aantallen, maar op navolging. In Handelingen 11:26 staat bovendien:
“De discipelen werden voor het eerst christenen genoemd.”
In de Bijbelse betekenis is een christen dus iemand die Jezus daadwerkelijk volgt. Een groot probleem in gemeenten is dat er veel mensen zijn die geen echte discipelen worden, maar wel enorm veel tijd en energie vragen van degenen die juist discipelen zouden moeten maken. Paulus zegt ergens dat als mensen niet willen leren, je je tijd niet moet verspillen, maar afstand moet nemen. Dat is een harde uitspraak, maar wel een reële. Er zijn veel trouwe dienaren van God die jarenlang investeren in mensen die nooit werkelijk tot toewijding komen. En dat is pijnlijk om te zien. Dat verzwakt de Kerk. Uiteindelijk gaat het erom dat de gemeente bestaat uit echte gelovigen — mensen die ook werkelijk discipelen zijn.
Echt discipelschap
Jezus sprak uiterst duidelijke woorden over discipelschap. In Matteüs 16:24–25 zegt Hij:
“Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.”
In de Joodse context betekende dat: een discipel volgt zijn leraar letterlijk. Hij loopt niet voorop, hij loopt niet naast hem, maar achter hem. Zo herken je de discipelen van Jezus: zij liepen achter Hem aan, terwijl de menigte Hem wel volgde, maar niet werkelijk Zijn discipel was. Daaruit komen drie fundamentele elementen naar voren:
- Zelfverloochening
- Het kruis opnemen
- Jezus volgen
Zelfverloochening betekent dat het eigen ik niet langer centraal staat. Het kruis opnemen betekent sterven aan de eigen wil. Dat gebeurt vrijwillig. God dwingt niemand. Jezus zegt vervolgens:
“Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.”
Het Griekse woord voor “leven” betekent ook “ziel”. De ziel omvat onze wil, gedachten en emoties — het deel van ons dat voortdurend zegt:
- “Ik wil.”
- “Ik voel.”
- “Ik denk.”
Juist dat op zichzelf gerichte leven moet onderworpen worden aan Christus. En dat terwijl veel moderne prediking zich richt op zelfontplooiing en zelfverwezenlijking. Maar Jezus kwam niet om het ego te versterken. Hij roept op tot overgave. De beslissende vraag is niet wat wij willen, voelen of denken, maar wat God zegt. Dat is confronterend, omdat onze cultuur juist het tegenovergestelde leert. Vrijwel alles moedigt de mens aan zichzelf centraal te stellen. Mensen worden aangespoord om vooral zichzelf te volgen, zichzelf uit te drukken en trouw te blijven aan hun eigen gevoelens. Maar het evangelie roept niet op tot zelfverheerlijking. Het roept op tot onderwerping aan Christus. Dat betekent niet dat persoonlijkheid verdwijnt. Integendeel: pas wanneer de mens zich aan God onderwerpt, wordt hij werkelijk wat hij bedoeld was te zijn.
Toch gaat die weg altijd via het kruis. Het kruis was in de dagen van Jezus geen decoratief symbool. Het was een instrument van executie. Iemand die zijn kruis droeg, had afscheid genomen van zijn oude leven. Dat is precies waarom discipelschap nooit oppervlakkig kan blijven. Jezus vraagt niet om religieuze bewondering op afstand. Hij vraagt totale overgave.
Daarom zien we in het Nieuwe Testament ook geen onderscheid tussen een “gewone gelovige” en een discipel. Iedere ware gelovige werd geacht een volgelings van Jezus te zijn. In veel moderne Kerken is die norm ongemerkt verlaagd. Men probeert mensen vooral binnen te houden, terwijl Jezus mensen juist opriep Hem alles te geven. Dat betekent niet dat discipelschap zonder strijd verloopt. Integendeel. Iedere gelovige ontdekt vroeg of laat hoe sterk het eigen ik zichzelf wil handhaven. Zelfs oprechte christenen kunnen jarenlang proberen Jezus te volgen terwijl zij tegelijk hun eigen wil willen behouden. Maar uiteindelijk brengt Jezus iedere discipel bij hetzelfde punt:
Wie is werkelijk Heer?
Pas wanneer Christus werkelijk in de gelovige regeert, ontstaat geestelijke autoriteit.
Een cultuur van zelfliefde
Onze cultuur draait immers bijna volledig om het “zelf”. Alles moedigt aan om jezelf centraal te stellen. De taal van deze tijd verraadt dat voortdurend: zelfontwikkeling, zelfbehoud, zelfexpressie. Maar wat veel mensen niet beseffen, is dat hun “zelf” van nature in opstand leeft tegen God. Wanneer een samenleving het ego verheerlijkt, vermenigvuldigt zij uiteindelijk ook haar rebellie.
De apostel Paulus beschrijft in 2 Timotheüs 3 hoe de mensheid eruit zal zien aan het einde van de tijd. Hij noemt een lange lijst van zonden, maar opvallend genoeg draait het begin én het einde van die opsomming om verkeerde liefde. Mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, van geld en van genot. Die drie hierboven genoemde op zichzelf gerichte eigenschappen: zelfontwikkeling, zelfbehoud en zelfexpressie, vormen samen de motor van een cultuur die ervoor zorgt dat men juist in opstand komt tegen God.
Vooral de liefde voor geld heeft een verwoestende invloed gekregen. Paulus schrijft in 1 Timotheüs 6:10 dat geldzucht een wortel is van allerlei kwaad. Niet geld zelf, maar de liefde ervoor. Wanneer bezit, succes en financieel gewin de drijfveren van een samenleving worden, raakt moreel besef langzaam uitgehold. Er was een tijd waarin begrippen als eer, verantwoordelijkheid en plicht nog gewicht hadden. Mensen werden niet uitsluitend gedreven door persoonlijk voordeel. Vandaag klinkt dat bijna ouderwets. Maar juist die verschuiving laat zien hoe diep de cultuur veranderd is.
En toch is het probleem nog fundamenteler dan materialisme alleen. Het diepste probleem van de mens is zelfliefde. Want zoals al hierboven benoemd: zolang het eigen ik regeert, kan Christus nooit werkelijk Heer zijn. Daarom formuleert Jezus discipelschap zo scherp:
- Verloochen jezelf
- Neem je kruis op.
- Volg Mij.
Die volgorde is belangrijk. Niemand kan Jezus werkelijk volgen zonder eerst zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Nogmaals: het kruis was in de dagen van Jezus geen religieus symbool, maar een instrument van executie. Wie zijn kruis droeg, had afscheid genomen van zijn oude leven. Dat is nog steeds de weg van discipelschap. Veel mensen noemen zichzelf christen, maar het Nieuwe Testament gebruikt die naam opvallend zorgvuldig. In Handelingen 11:26 staat: “De discipelen werden voor het eerst christenen genoemd in Antiochië.” Niet Kerkgangers. Niet religieuze sympathisanten. Discipelen.
Alleen discipelen kunnen werkelijk christenen genoemd worden
Mijn vrouw Ruth en ik brachten tijd door in de aanwezigheid van de Heer. Tijdens die momenten herinnerde Hij ons allebei persoonlijk aan zonden waar we vele jaren geleden bij betrokken waren geweest. We beseffen dat we die zonden nooit echt volledig hadden afgehandeld. Voor zover ik weet, hebben we dat toen alsnog gedaan. Ik denk dat dit ook bij sommige mensen zal gebeuren die deze woorden horen. Je zult je bewust worden van zonden die je hebt getolereerd, of misschien zelfs vergeten bent. Maar Jezus is ze niet vergeten. Hij houdt ze niet tegen je, maar ze zijn ook niet werkelijk weggenomen zolang je ze niet erkent, je ervan bekeert en ze belijdt.
Ik geloof dat velen van jullie in deze dagen geconfronteerd zullen worden met de vraag: Ben ik een discipel, of slechts een Kerklid? Je kunt een heel goed Kerklid zijn. Misschien doe je alles wat hoort: je leest je Bijbel, je geeft tienden, je bezoekt de samenkomsten en doet niemand kwaad. Maar de vraag is: hoeveel mensen doe je eigenlijk goed? Daar komen we later nog op terug. Maar laten we eerst nog één gedeelte lezen over discipelschap. Jezus zoekt namelijk geen bewonderaars op afstand. Hij zoekt mensen die bereid zijn hun leven aan Hem te onderwerpen. In Lukas 14:25–27 zegt Jezus:
“En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen: Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn.”
Dat betekent niet dat wij actief mensen moeten haten. Het betekent dat geen enkele relatie belangrijker mag worden dan gehoorzaamheid aan Christus. Wanneer menselijke relaties botsen in hun trouw aan Jezus, moet een discipel voor Jezus kiezen. Een discipel is iemand die afscheid heeft genomen van zijn eigen heerschappij.
Ben ik een discipel of slechts een Kerklid?
Dat brengt ons bij een eerlijke vraag. Niet: bezoek ik een Kerk? Niet: noem ik mijzelf christen? Maar: volg ik Jezus werkelijk? Ik geloof dat veel gelovigen opnieuw geconfronteerd moeten worden met deze vraag: Ben ik een discipel, of niet meer dan een Kerklid? Je kunt een trouw Kerklid zijn, zonder ooit werkelijk je leven aan Christus te hebben overgegeven. Discipelschap vraagt meer dan religieuze betrokkenheid. Het vraagt overgave. Daarom moeten wij onszelf onderzoeken en bidden:
“Heere, laat mij zien of ik U werkelijk volg. En als ik slechts een Kerklid ben geworden, laat mij dan zien waarin ik moet veranderen.”
Lees verder

