Gods hart voor wezen en weduwen, de praktijk uit het leven van Lydia

Een vrouw die weet van zuivere godsdienst…

Toen Lydia Christensen – de vrouw die later Derek Prince zijn eerste vrouw zou worden – christen werd halverwege de jaren 20 van de vorige eeuw, veranderde haar leven radicaal en drastisch, waardoor ze een levend voorbeeld werd van zorg voor wezen. Na maanden van intens gebed en wachten op Gods leiding voor haar leven, raakte ze overtuigd dat God wilde dat ze haar succesvolle baan als onderwijzeres in Denemarken opgaf, om naar Jeruzalem te gaan.

Uiteindelijk, in oktober 1928, vertrok ze op 38-jarige leeftijd naar Jeruzalem, met ongeveer 200 dollar aan reischeques, zonder kerk of organisatie die haar zou ondersteunen, en zonder enig idee wat ze zou gaan doen nadat ze zou zijn aangekomen. Bij aankomst huurde ze een kale kelder en wachtte opnieuw op instructies van God, wat ze voor Hem zou mogen doen. Iets na Kerst, op het moment dat ze haar laatste dollar ging besteden, werd ze gevraagd een stervend Joods baby’tje, Tikva, in haar huis te nemen. Zonder bed of beddegoed voor dit kindje, wikkelde ze Tikva in haar eigen onderhemd en legde haar in een lege koffer. Vervolgens worstelde Lydia vele uren in gebed voor Tikva’s leven, en ze werd gespaard.

Al snel volgden andere kinderen. Gedurende de volgende bijna twintig jaren zorgde Lydia in haar eentje voor ongeveer zeventig kinderen – de meeste van hen meisjes. De meeste waren Joods, maar er waren ook Arabische, Armeense en Europese kinderen bij. Ze bleven korte of langere tijd bij haar, voor zolang als nodig was. Maar er waren acht weeskinderen bij die de Heer aan haar gaf als ‘haar eigen’ kinderen.

In en om Jeruzalem was in die dagen veel onrust, aanslagen, belegering, voedseltekort en etnische conflicten. In de zorg voor haar kinderen, riskeerde Lydia geregeld haar eigen leven. Ze was niet alleen maar ‘mama’, maar voor vele jaren ook vader, dokter, advocaat, electricien, loodgieter en timmerman, alles in één. Haar enige medewerkster was een Arabisch boerenmeisje dat niet kon lezen; zij was één van de vele Arabische vrouwen die ze tot de Heer had mogen leiden. Met altijd één of meer baby’s in huis, genoot ze vrijwel nooit een ononderbroken nachtrust. Soms, als er ’s nachts buiten gevochten werd en het was voedingstijd voor de baby’s, moest ze op haar knieën van bed tot bed kruipen om zichzelf te beschermen tegen verdwaalde kogels die door de ramen zouden kunnen komen. Al deze jaren vormden de overvolle, onbetrouwbare bussen de enige transportmogelijkheid voor haar. Bijna iedere dag liep Lydia kilometers door de straten van

Jeruzalem, met een kind op haar schouders of één of twee in een kinderwagen voor zich. In haar latere leven zei ze nog regelmatig: ,,Ik dank God voor al die jaren dat ik als een arme vrouw liep door de straten van Jeruzalem.’’

Het volledige verhaal van Lydia’s bekering en roeping naar Israël staat beschreven in haar boek ‘Ontmoeting in Jeruzalem’ .

Ook heeft Derek Prince een kort boekje geschreven over Gods hart voor wezen en weduwen, armen en verdrukten.