Christus roept de doden tot opstanding


Gisteren lazen we Johannes 5:25: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven. Jezus spreekt hier over de reactie van degenen die in de zonde dood zijn op de stem van Christus, die tot hen komt door de prediking van het Evangelie: wie hem (de stem) horen, zullen leven. Dat wil zeggen dat degenen die de boodschap van het Evangelie aannemen in geloof, daardoor vergeving en eeuwig leven zullen ontvangen. Dit wordt bevestigd door het feit dat Jezus zegt: De tijd komt en is nu. De prediking van het Evangelie tot mensen die in zonden dood zijn, is reeds begonnen in de tijd dat Jezus deze woorden sprak. We zien hier het contrast tussen deze woorden van Jezus en Zijn woorden in Johannes 5:28–29: ...de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis. Deze passage verschilt in drie belangrijke opzichten van de vorige:

  1. Jezus zegt, de tijd komt, maar Hij voegt daar niet aan toe, en is nu. Dat betekent dat de gebeurtenissen waarover Jezus hier spreekt, nog geheel in de toekomst liggen; ze zijn nog niet in vervulling gegaan.
  2. Jezus gebruikt de uitdrukking, allen die in de graven zijn. Dit gaat duidelijk over degenen die letterlijk gestorven en begraven zijn. Verder zegt Hij dat deze allen, zonder uitzondering, zullen horen, terwijl Hij in de vorige passage over ‘de doden’ er op heeft gewezen dat sommigen zouden horen, maar niet allen.
  3. In deze tweede passage gebruikt Jezus letterlijk het woord ‘opstanding’. Hij zegt dat allen die in de graven zijn zullen uitgaan... tot de opstanding.

Daarom komen we tot de conclusie, dat Jezus in de eerste passage spreekt over de reactie van degenen die geestelijk dood zijn in zonde, terwijl Hij in de tweede passage spreekt over de letterlijke opstanding van degenen die letterlijk gestorven en begraven zijn. In deze tweede passage spreekt Jezus over twee verschillende aspecten van de opstanding: aan de ene kant de opstanding ten leven; aan de andere kant de opstanding ter verdoemenis. Dit komt overeen met de openbaring van het Oude Testament in Daniël 12:1-3. In elk van deze beide gevallen wordt in twee duidelijk te onderscheiden fasen gesproken over de opstanding: die van de rechtvaardigen en die van de goddelozen; en in deze beide gevallen gaat de opstanding van de rechtvaardigen vooraf aan die van de goddelozen. Bovendien leren we uit de woorden van Jezus nog een volgend punt, dat niet in Daniël is geopenbaard: de stem die alle doden tot de opstanding roept, zal de stem zijn van Christus zelf, de Zoon van God.

Vorige week onderzochten we een aantal van de belangrijkste passages van het Oude Testament over de wederopstanding. Wij zagen dat het Oude Testament de volgende drie belangrijke gebeurtenissen profetisch heeft voorzegd: Ten eerste, dat Christus zelf uit de doden zou worden opgewekt; ten tweede, dat degenen die in Christus geloven, deel zullen hebben aan Zijn opstanding; ten derde, dat er ook een opstanding van de goddelozen zal zijn, om geoordeeld en gestraft te worden.

Als we deze week gaan naar het Nieuwe Testament, dan ontdekken we dat de openbaring daarin omtrent de opstanding van de doden op deze drie belangrijke punten precies overeenstemt met die van het Oude Testament. Echter, dat bovendien veel verdere informatie wordt gegeven, waardoor ons hele beeld duidelijker en gedetailleerder wordt. De eerste Nieuwtestamentische passage die we bekijken, vinden we in Johannes 5:25, waar Jezus zegt: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven.

Iets verder zegt Jezus opnieuw: Verwonder u daar niet over, want de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis. (Johannes 5:28-29)

Jezus gebruikt hier twee verschillende uitdrukkingen. In vers 25 zegt Hij de doden en in vers 28 zegt Hij die in de graven zijn. De context schijnt erop te wijzen dat deze twee uitdrukkingen niet identiek zijn, maar dat zij tegenover elkaar staan. Als dat zo is dan moet de eerste uitdrukking, de doden, worden opgevat als een beschrijving van degenen die niet echt lichamelijk dood zijn, maar meer als degenen die geestelijk dood zijn in de zonde. Dat komt overeen met wat Paulus zegt in Efeziërs 2:1: U heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.

Paulus schrijft uiteraard niet aan mensen die letterlijk, lichamelijk dood waren, maar aan mensen die als gevolg van de zonde geestelijk dood en van God vervreemd waren. In Efeziërs 5:14 gebruikt Paulus woorden uit Jesaja om de zondaar aan te sporen: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.

Ook hier zijn degenen die Paulus aanspoort om te ‘ontwaken’ en ‘op te staan’ niet lichamelijk dood, maar geestelijk dood in de zonde. Kennelijk moeten wij deze interpretatie daarom toepassen op de woorden van Jezus in Johannes 5:25. Hier zullen we morgen naar kijken.

Gebed van de dag

O Heer Jezus, wat een geweldige openbaring, dat het Uw stem zal zijn die ons uit het graf tot leven roept; het is bijna niet voor te stellen, dat wij Uw stem zullen horen en herkennen. Wat een geweldige, heerlijke dag zal dat zijn! Amen.

Gebed voor DPM wereldwijd

SALOMONSEILANDEN

Bid om een goede gezondheid en om kracht voor DPM-vertegenwoordigster en zakenvrouw Tele Bartlett, die doorgaat met het verspreiden van Dereks onderwijsmateriaal in dit gebied.

Weekvers: 1 Korinthiërs 15:22-23

Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst.